«« The Cambridge Companion to Spinoza
Begin
Meer Directe Democratie »»

Professionals en de bijbel

directe link naar dit bericht link naar de reacties rubriek: recensies

De auteurs van het Oude Testament waren profeten noch bevlogen charismatici, maar ambachtslieden, schrijvers van beroep. Karel van der Toorn ontnuchtert een romantische visie op bijbelschrijvers. Door Cokky van Limpt, uit Trouw.

Het stuk is onder overgenomen.

Bijbelauteurs waren professionele schrijvers

Wie waren de schrijvers van het Oude Testament? Zijn wens op deze vraag een antwoord te vinden, werd geboren uit nieuwsgierigheid, vertelt Karel van der Toorn in zijn fraaie bestuurskamer in het roemruchte Maagdenhuis aan het Amsterdamse Spui. „De onbekendste kanten van de geschiedenis, toegespitst op de periode van 2000 voor Christus tot het begin van onze jaartelling, boeien mij het meest. Mede door mijn werk als universiteitsbestuurder raakte ik bijzonder geïnteresseerd in de rol die intellectuelen hadden in de samenleving van het oude Israël en bij de totstandkoming van het Oude Testament.”

Wij kennen de cultuur van Israël en het vroege jodendom dankzij het Oude Testament – vrijwel de enige informatie die voorhanden is. „Het opmerkelijke daaraan is”, zegt Van der Toorn, „dat die Hebreeuwse Bijbel is ontstaan in een cultuur van het gesproken woord. Net als het oude Egypte en Mesopotamië, was het oude Israël een echt orale samenleving waarin niet meer dan vijf tot zeven procent van de bevolking op een behoorlijk niveau kon lezen en schrijven.

Dat betekent dat het een heel kleine groep hoogopgeleide mensen moet zijn geweest, die verantwoordelijk is voor het beeld dat wij nu hebben van de beschaving van het oude Israël.”

Een intrigerende gedachte voor een universiteitsbestuurder, vindt hij, dat een kleine intellectuele elite zo’n enorme invloed en doorslaggevende rol kan hebben in een samenleving. „Het sterkt je zelfbewustzijn over de betekenis die je als universiteit kunt hebben, en mij maakte het automatisch nieuwsgierig naar wie die mensen dan waren.”

De bijbel zelf zegt weinig over de auteurs. Die zijn grotendeels onzichtbaar gemaakt in de teksten, door die op naam te zetten van bijvoorbeeld profeten. Ook de recente Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) maakt de bijbellezer niet veel wijzer op dit punt. In de NBV-inleiding op het Oude Testament staat: „Deze boeken zijn het werk van auteurs of redacteurs die men erkend heeft als woordvoerders van God te midden van hun volk. Velen van hen zijn onbekend gebleven. Een groot deel van hun werk is geïnspireerd door de overleveringen van de gemeenschap waartoe zij behoren.”

Met alleen de Bijbel in de hand, zo blijkt, kom je niet ver. De enige manier om echt antwoord te krijgen op zijn vragen, is vergelijkend onderzoek, zegt Van der Toorn. Kijk naar hoe het toeging in de Israël omringende culturen, want, zo luidt zijn wetenschappelijke overtuiging, er is geen reden om aan te nemen dat de situatie van de bijbelschrijvers in Israël fundamenteel zou afwijken van schrijvers in andere culturen in het Midden-Oosten. „Dat is een internationale wereld geweest, vergelijkbaar met de academische wereld van nu, met vrij cultureel en intellectueel verkeer. Je kunt dat ook zien aan teksten die soms vanuit de ene cultuur in de andere bekend zijn. Ook in het Oude Testament zijn stukken aan te wijzen die teruggaan op Armeense, Babylonische of Egyptische bron. En soms vind je in bijbelpassages termen terug die beter passen in een andere religieuze context dan de Israëlitische.”

Manuscripten uit de periode van de tweede tempel (500 tot 200 voor Christus), waarin de oudtestamentische teksten op schrift zijn gesteld, ontbreken in Israël. Maar Babylonië, Assyrië en Egypte bieden wel een schat aan handgeschreven documenten uit die tijd. Daaruit is een beeld op te maken, zegt Van der Toorn, hoe de – sterk op elkaar gelijkende – schrijversopleidingen in die landen eruit zagen. Vervolgens is hij in het Oude Testament naar sporen gaan zoeken, die dat beeld bevestigen. „En die zijn er. De alfabetische psalmen bijvoorbeeld, psalmen waarvan de zinnen steeds beginnen met een opeenvolgende letter van het Hebreeuwse alfabet. De als acrostichon gearrangeerde psalm is een typisch schrijversproduct. We kennen hem ook uit Mesopotamië en we weten dat die daar werd gebruikt als oefenmateriaal voor schrijvers.”

Van der Toorn heeft tijdens zijn onderzoek veel voorbeelden gevonden waaruit blijkt dat de schrijversopleiding in Israël grote overeenkomsten moet hebben vertoond met die in de omringende culturen. Daaruit komt naar voren, zegt hij, dat een schrijversopleiding veel meer was dan leren lezen en schrijven. „Het waren eigenlijk universitaire opleidingen.

De schrijvers raakten helemaal doordrenkt van de producten van de geschreven traditie. De hoofdmoot bestond uit het zich eigen maken van de teksten, door ze uit het hoofd te leren. Het was immers aanvankelijk nog hoofdzakelijk een orale cultuur, waarin het schrift vooral als hulpmiddel diende bij de mondelinge voordracht.”

Opmerkelijk is ook, zegt hij, dat in de terminologie eigenlijk geen verschil werd gemaakt tussen overschrijven en zelf ontwerpen van nieuwe teksten. „Men had een ambachtelijke visie op het beroep van schrijver. Onze noties van intellectueel eigendom en originaliteit als belangrijke waarden speelden voor deze schrijvers uit de oudheid niet. Zij waren gericht op vakmanschap, niet op artisticiteit.

In de Israël omringende culturen waren de schrijversopleidingen verbonden aan de tempels. Van der Toorn is ervan overtuigd dat dat in Israël niet anders was. „Wij danken het leeuwendeel van het Oude Testament aan de schrijverswerkplaats van de tempel in Jeruzalem – het intellectuele en religieuze centrum van het oude Israël.” De opvatting van sommige collega-wetenschappers dat de opleiding verbonden was aan het hof, vindt hij niet geloofwaardig. „Dan zou je meer propaganda voor het koningshuis verwachten, en bijvoorbeeld koninklijke wetten. Maar die ontbreken: we hebben de wetten van Mozes, niet die van Salomo.”

Natuurlijk, zegt hij, werkten er schrijvers in het paleis, in bestuur en hofhouding, „maar het hof is niet de plaats waar nieuwe teksten ontstaan, dat is toch echt de tempel.

Overigens waren het politieke en het religieuze gezag geen gesloten werelden, De koning had veel te zeggen over priesterlijke benoemingen bijvoorbeeld.”

’Intrigerend dat een kleine intellectuele elite zo’n rol kan spelen in een samenleving.’

Maar omgekeerd was de invloed minstens zo groot. Van der Toorn vertelt over het ’een-tweetje’ tussen de Judese koning Josia (600 voor Christus) en de hogepriester van de tempel in Jeruzalem. Josia wilde, waarschijnlijk uit politieke motieven, de verering van Jahweh beperken tot de tempel in Jeruzalem; alle andere tempels moesten verdwijnen.

Maar hoe moest hij dat bewerkstelligen?

De mondelinge geloofsoverlevering stond immers meer tempels toe. „Toen werd er als een deus ex machina in de tempel van Jeruzalem ineens een tekst ’gevonden’, die van de hand van Mozes zou zijn, de grote held uit het verre verleden, en in zekere zin de stichter der natie. In die tekst, waarschijnlijk de oudste vorm van het boek Deuteronomium, staat dat er maar één tempel mag zijn, op een plek die God zal aanwijzen, en dat is Jeruzalem. De hogepriester brengt de plots opgedoken tekst dan naar koning Josia en leest hem voor.”

Die tekst, zegt Van der Toorn, was een product van de schrijverswerkplaats van de tempel. „Van de meeste teksten bestond lange tijd maar één exemplaar, dat als een soort moederkopie werd bewaard en als instructie diende voor andere schrijvers die dat materiaal dan weer mondeling doorgaven.

Om de veertig jaar moesten er nieuwe kopieën gemaakt worden, omdat het materiaal versleten was.

Dat was dan meteen het moment om, onder priesterlijke goedkeuring, de teksten te reviseren. Doorgaans was de hoofdschriftgeleerde, de ’opperschrijver’ in de tempel van Jeruzalem, verantwoordelijk voor een nieuwe tekstredactie.”

Het voorbeeld van koning Josia laat volgens van der Toorn zien dat de koning wel degelijk invloed had, maar dat de productie van gezaghebbende teksten toch bij de tempel lag en dat de tempel met de ’gevonden’, ideologisch gereviseerde editie van Deuteronomium koning Josia de legitimatie verschafte om de lokale tempels te laten vernietigen.

Datzelfde schrijversproduct Deuteronomium is tevens het scharnierpunt van de overgang van een mondelinge naar een meer schriftelijke cultuur, zegt hij, en het luidt de vorming van de bijbelse canon in. „Bij Deuteronomium zie je gebeuren dat een tekst, die meerdere tempels verbiedt, kennelijk zwaarder weegt dan de mondelinge overlevering die dat wel toestond. Op het moment van zo’n cultuuromslag, die zich overigens in dezelfde periode ook elders voordeed, ontstaat de behoefte om aan de geschreven tekst een aparte status toe te kennen. En zo worden schriftelijke bronnen dan gaandeweg de belangrijkste gezagsdragers: er vindt een overdracht plaats van het persoonlijke gezag en de kennis van de priester, de profeet, de medicijnman, naar een geschreven tekst.

Levende profeten worden boeken.

En van lieverlee ontstaat dan de idee dat de bijbelse teksten geen mensenwoorden zijn maar het Woord van God.

De kracht van zijn boek zit er volgens Van der Toorn in dat hij consequent weet aan te tonen hoe cruciaal de rol van schrijvers als professionele beroepsgroep is geweest. „Ik zet een streep door de gebruikelijke romantische visie. Bijbelschrijvers waren geen profeten, geen bevlogen individuen of charismatici. Ze waren handwerkslieden, die hun beroep op een hoog niveau uitoefenden en een niet te onderschatten invloed hebben gehad. Het is inderdaad niet teveel gezegd dat deze elite van schrijvers de orale religieuze cultuur van Israël heeft getransformeerd tot een religie van het Boek. Het was een geleidelijke maar niettemin revolutionaire verandering, die de geweldige kracht van het medium schrijven aantoont. Uiteindelijk zijn schrijvers de belangrijkste cultuurdragers van Israël geworden.”

Karel van der Toorn: Scribal Culture and the Making of the Hebrew Bible, Harvard University Press, ISBN 9780674024373, 401 pg, €39,95.

Prof. dr. Karel van der Toorn (1956) studeerde in Parijs theologie en semitische talen – Hebreeuws, Aramees, Ugaritisch. Terug in Nederland kwamen daar nog Babylonisch, Assyrisch en spijkerschrift bij. Na zijn studie werd hij docent godsdienstwetenschappen aan de Vrije Universiteit, waar hij in 1985 promoveerde.

Van 1987 tot 1998 was hij hoogleraar antieke religies aan de universiteiten van Leiden en Utrecht, daarna (tot 2003) decaan van de faculteit der geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam (UvA). Sinds september 2006 is Van der Toorn voorzitter van het college van bestuur van de UvA en van de Hogeschool van Amsterdam. In die functie volgde hij prof. dr. Sijbolt Noorda op, ook theoloog.

Karel van der Toorn is lid van het North American Biblical Colloquium en van de Steering Committee Hebrew Bible and Cognate Literature (Society of Biblical Literature).

Comments (1)

Leon:
Profs, geen profeten

Uit NRC 14/7, door Dirk Vlasblom

Karel van der Toorn ging na wie de Hebreeuwse Bijbel schreven

De Hebreeuwse Bijbel is geschreven door een elite van geletterde vaklui. Zij legden de mondelinge overlevering vast in de tempel van Jeruzalem.

‘Net de universiteit’, zegt Karel van der Toorn, ‘wie schrijft, blijft.’

DE HEBREEUWSE Bijbel – voor christenen: het Oude Testament – wordt vaak beschouwd als een samenhangend boek. Maar dat is het niet. Het is niet eens een verzameling boeken, maar een bundel teksten van uiteenlopende ouderdom die pas in de Middeleeuwen zijn samengebonden in één kaft. De bijbel heeft ook geen auteur. Afzonderlijke hoofdstukken (‘boeken’) dragen de namen van profeten en koningen, maar zij waren niet de schrijvers.

De wetten, gebeden, kronieken en profetieën die samen de Hebreeuwse Bijbel vormen, zijn niet het werk van bevlogen zieners, maar van ambachtslieden, schrijvers van beroep.

De vraag ‘wie schreven de bijbel?’ loopt als een rode draad door het pas verschenen boek Scribal Culture and the Making of the Hebrew Bible. Auteur is professor Karel van der Toorn, theoloog en kenner van de Semitische talen. Hij studeerde in Parijs spijkerschrift en de talen die daarin werden geschreven – B abylonisch, Assyrisch en Oegaritisch – en verder Hebreeuws en Aramees. Hij doceerde in Leiden en Utrecht godsdiensten van de oudheid en is sinds vorig jaar voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam.

Zijn academische achtergrond stelde hem in staat vergelijkingen te maken tussen het oude Israël, de bakermat van de Bijbel, en zijn buren. Als universiteitsbestuurder raakte hij geboeid door de rol die schriftgeleerden, de intellectuelen van hun tijd, speelden bij het ontstaan van het Oude Testament. In zijn ruime werkkamer in het Amsterdamse Maagdenhuis vertelt Van der Toorn hoe hij zich een beeld vormde van dit schrijversgilde.

“De Hebreeuwse Bijbel”, zegt hij, “is ontstaan in een cultuur die was gebaseerd op het gesproken woord. Het oude Israël was, net als Mesopotamië en Egypte, een orale cultuur. Tot in de Hellenistische tijd (de derde en tweede eeuw voor Christus) kon maar vijf tot zeven procent van de Israëlieten lezen of schrijven. De bijbelteksten zijn dan ook het werk van een kleine, geschoolde minderheid die de schrijfkunst machtig was en die de mondelinge overlevering op schrift stelde.’’

Hoe leer je die elite kennen? Van der Toorn: “De teksten zelf bieden weinig houvast. Die zijn, uit respect of om ze extra gezag te geven, op naam gezet van profeten en koningen. Ze bevatten wel allerlei verborgen aanwijzingen. Sommige bijbelboeken beginnen en eindigen drie of vier keer, waaruit valt op te maken dat er in de loop der tijd meerdere edities zijn gemaakt, maar de redacteuren van die edities blijven naamloos.

Omdat de tekst weinig rechtstreeks bewijs bevat, ben ik gaan vergelijken. De cultuur waarin de bijbel ontstond, behoorde tot een veel grotere wereld, die van het antieke Nabije Oosten, waar een vrij intellectueel verkeer bestond. Over en weer werden teksten gelezen en vertaald.”

In zijn boek geeft Van der Toorn voorbeelden van ontlening in het Oude Testament.

In 1924 ontdekte de bijbelonderzoeker Adolf Erman dat Spreuken 22:17 t/m 24:22 een bewerking is van de Lessen van Amenemope, een Egyptische wijsheidsleraar uit de twaalfde eeuw voor Christus. Het eerste deel van Psalm 20 komt bijna woordelijk overeen met een Fenicische zegeningsformule, waarin de godennamen Bethel en Baal Shamayin en de heilige berg Zaphon worden genoemd. De joodse schrijver van Psalm 20 verving Baal door Jahweh en Zaphon door Zion.

Over de schrijverselites van Mesopotamië en Egypte is veel meer bekend dan over die van het oude Israël. Van der Toorn: “In Mesopotamië schreef men op bijna onverwoestbare kleitabletten, in Israël op vergankelijk papyrus. Teksten die in 2000 voor Christus in Mesopotamië zijn geschreven, zijn nog fysiek voorhanden. Hebreeuwse teksten die zijn geschreven tussen 1200 voor Christus (toen volgens sommige bijbelhistorici het joodse volk wegtrok uit Egypte, DV) en het begin van onze jaartelling zijn uiterst zeldzaam. Dé tekstvondst in Israël waren de Dode Zeerollen van Qumran, met meerdere kopieën van bijna ieder bijbelboek. En die dateren van 150 tot 100 voor Christus.”

De schriftgeleerden van Mesopotamië en Egypte hadden een hoge sociale status.

Ze werden gerekruteerd uit vooraanstaande families en leerden het schrijversvak in aan godentempels verbonden scholen. Van der Toorn: “De schrijversopleiding kwam qua niveau in de buurt van de bachelor-opleiding van een universiteit. Je raakte vertrouwd met de geschreven traditie door teksten over te schrijven en uit het hoofd te leren. Die traditie varieerde van bellettrie – epische verhalen, wijsheden der voorvaderen – tot wiskunde, recht en notariaat (opmaken van akten en contracten). Sommigen deden alleen de eerste fase en die konden aan de slag als secretaris of als administrateur van landerijen of koopmanshuizen. Anderen specialiseerden zich in wetskennis, medicijnen of waarzeggerij.’’

Vakmanschap stond hoger aangeschreven dan intellectueel eigendom. “In Mesopotamië vind je vaak de naam van de eigenaar van de tekst (verzameling kleitabletten) en van degene die de kopie heeft afgeschreven, maar hoogst zelden de naam van de bedenker van de tekst. Auteurschap – o o r s p r o n k e l ij k - heid, creativiteit – werd niet als een waarde gezien. Vakmanschap wel. Daarom werden kopieën op naam gesteld, want men was trots op mooi schrijfwerk.

Oude teksten in spijkerschrift – en dat geldt ook voor de oudere tekstfragmenten in het Hebreeuws – z ij n vaak heel pietepeuterig geschreven, waardoor je veel tekst krijgt op een klein oppervlak. Dat is een hele kunst.’’

In het Oude Testament staan maar enkele verwijzingen naar het schrijversgilde van Israël en er wordt er maar één bij naam genoemd: Baruch. Die zou twintig jaar lang de profetieën van Jeremia hebben opgeschreven. Van der Toorn: “In de bijbel opereert hij in het tempelmilieu, maar je ziet hem ook verkoopcontracten opstellen en brieven schrijven. Je vindt in de Hebreeuwse bijbel een grote diversiteit aan genres. Wij hebben dat nu allemaal samengebracht onder de noemer ‘religie’, maar dat komt door die ene kaft, en die dateert van ver na Christus. In de bijbel staan gebeden en handleidingen voor de eredienst, maar ook wetgeving (Exodus, Leviticus, Deuteronomium), geschiedschrijving (Kronieken, Koningen) en opsommende beschrijvingen van het universum. Zo bevat het boek Spreuken compilaties van volkswijsheden en gezegden en in Job en Psalmen staan lijsten van natuurverschijnselen. De heterogene verzameling teksten die je aantreft in het Oude Testament heeft veel weg van een compendium van destijds voorhanden kennis. Het maken van compilaties was onderdeel van het schrij versvak.’’

Ook in het oude Israël maakte men geen onderscheid tussen bedenken en opschrijven.

Het Hebreeuwse woord voor schrijver, sofer, wordt gebruikt voor degene die de tekst heeft bedacht en ook voor degene die hem afschrijft. Van der Toorn: “Je leerde schrijven door te kopiëren, maar er was ruimte voor creativiteit.

Een typisch product van ambachtelijk schrijverschap zijn psalmen (bijvoorbeeld 25 en 119) in de vorm van een acrostichon,waarbij de beginletters van de verzen samen het alfabet vormen.

Dit was duidelijk oefenstof voor gevorderde leerlingen. Maar dat auteurschap geen rol speelde, betekent niet dat individueel talent en oorspronkelijkheid niet bestonden. Zo zijn delen van het boek Jesaja geschreven in een heel aparte stijl. Van wie die is, weten we niet.”

In Mesopotamië bestonden binnen de groep geletterden specialisten: rechtsgeleerden, waarzeggers, ingewijden in de geneeskunst. Gold dat ook voor Hebreeuwse schriftgeleerden?

“Specialisatie ging in Israël waarschijnlijk minder ver. Mesopotamië en Egypte waren samenlevingen met een groot agrarisch surplus, dichtbevolkte stedelijke centra en een vergaande arbeidsverdeling.

Het oude Palestina was een maatschappij van herders en kleine boeren.

Er waren steden, maar die waren relatief klein. De hoofdstad Jeruzalem en zijn twee grote instituties – het paleis en de tempel –waren cruciaal voor de overdracht van de traditie.’’

U beweert dat de schrijvers van de bijbel waren verbonden aan de tempel en niet aan het hof. Hoe weet u dat?

“Ook aan het hof fungeerden waarschijnlijk schrijvers. De bijbelonderzoeker Edouard Lipinski meent dat Spreuken en Kronieken het werk zijn van hofschrijvers.

William Schniedewind denkt dat het grootste deel van de bijbel het licht zag in het paleis. Dat is een misvatting.

Dan zou je in de bijbel propaganda voor het koningshuis verwachten, maar die ontbreekt. Wij zijn geneigd om tussen ‘het hof’ en ‘de tempel’ een spanning te veronderstellen, omdat we vertrouwd zijn met een scheiding van kerk en staat. De tempel was het intellectuele centrum. Er zijn tal van aanwijzingen in de bijbel dat de tempel de plaats was waar de wet werd opgeschreven (zie Samuel), waar geschreven profetieën werden bewaard (Ezechiël) en waar les werd gegeven in de geschreven traditie (Spreuken, Psalmen en Kronieken).

Maar het was een staatstempel. De koning had de beschikking over de tempelkas en je werd geen hogepriester als hij tegen was. De politieke macht lag in de koninkrijksperiode, tot de Babylonische deportatie, bij het koningshuis. In 586 voor Christus viel Jeruzalem en werd de bovenlaag van de bevolking afgevoerd naar Babylonië. Na zeventig jaar ballingschap keerde maar een klein deel terug. Vanaf 520 stond de rompstaat Juda achtereenvolgens onder bestuur van Perzen, Grieken en Romeinen.

Toen kwam het interne gezag te liggen bij de clerus.” „Binnen de clerus ontstond verschil tussen priesters, die zich bezighielden met de offercultus, en schrift- en wetsgeleerden die waren verbonden aan de tempel.

De mensen die de tafel van God mochten naderen hadden een hogere status dan schrijvers. Dichter bij God was heiliger, en heiligheid stond hoger aangeschreven dan geleerdheid. Historisch gezien voltrok zich een omgekeerde ontwikkeling. Degenen die na de verwoesting van de eerste tempel, in 586 voor Christus, aan het langste eind trokken, waren de schriftgeleerden. In de periode van de tweede tempel, van 500 vóór Christus tot de verwoesting door de Romeinen in 70 na Christus, kwam de beroepsgroep der schrijvers op. Tussen 500 en 200 hebben zij de redactie verzorgd van de Bijbelboeken zoals we die nu kennen.”

In welke taal werden die geschreven en gekopieerd?

“In het Hebreeuws, maar in een ouder schrift dan het huidige kwadraatschrift.

Volgens de traditie was er in de geschiedenis van Israël een periode, tot ongeveer 500, waarin God tot de mensen sprak via Mozes en de profeten: de periode van openbaring. En wat sprak God? God sprak Hebreeuws. Hoe weten we dat? Zie de teksten, die zijn allemaal in het Hebreeuws. Het boek Daniël is geschreven rond 170 voor Christus, toen het Aramees de standaardtaal was, maar is nog grotendeels in het Hebreeuws, met stukken Aramees. De schriftgeleerde werd op den duur ook uitlegger en vertaler in het Aramees van de Hebreeuwse heilige tekst.”

Bijbelboeken bevatten verschillende lagen. Dat komt, schrijft u, omdat kopieerders in een nieuwe editie steeds de mondelinge exegese van hun leermeester( s) verwerkten.

“We weten al langer dat bijbelboeken in de loop der eeuwen zijn gegroeid.

Onduidelijk bleef hoe we ons dat proces moeten voorstellen. Ik gebruik de analogie van het Babylonische godenbeeld dat om de zoveel tijd moest worden gerenoveerd. Dat betekende in feite dat men op basis van een oud beeld een heel nieuw beeld maakte. Zo moeten we ons ook die tekstontwikkeling voorstellen. Er was één gezaghebbende moederkopie, die in de tempel van Jeruzalem werd bewaard. De levensduur van die papyrusrol was zo’n veertig jaar.

Dan moest hij worden overgeschreven.

Iedere nieuwe editie incorporeerde een parallelle mondelinge traditie. Want de tekst werd gebruikt in het onderwijs en moest worden uitgelegd. Naarmate de afstand in tijd tot de oorspronkelijke tekst toenam, was er meer behoefte aan uitleg. En zo groeide de tekst.”

Sinds wanneer golden bijbelteksten als het woord van God?

“De hele openbaringsidee is een constructie van de schriftgeleerden en houdt rechtstreeks verband met de verschriftelijking van de traditie. In de oudere tijd ontleende de traditie zijn gezag aan de profeet, de priester en de waarzegger, maar in de tijd na de ballingschap, van het begin van de Perzische periode tot in de Hellenistische tijd, nam de geschreven tekst de plaats in van de mondelinge overlevering. Die tekst moest gelegitimeerd worden. Dat gebeurde met een beroep op de ouderdom: alles wat in het openbaringstijdperk, zeg maar vóór 500, de tijd waarin God tot de mensen sprak, door de ouden was gehoord en opgetekend, was het woord Gods. Daarna werden profeten boeken; de geschreven wet trad in de plaats van de wetgever. Profetie was de kunst van het interpreteren van teksten geworden. De schriftgeleerden hebben ervoor gezorgd dat het jodendom een religie van het boek werd.”

U bent bestuursvoorzitter van de UvA.

Is de universiteit ook een ‘scribal culture’?

“Zeker. Het is net zo goed een bolwerk van schriftgeleerden als de tempelwerkplaatsen van Babylon en Jeruzalem. En net als onder de geletterden van de oudheid bestaan er in deze wereld van Het Boek allerlei jaloezieën en competities.

Maar het mooie is dat ook hier de wetenschappers aan het langste eind trekken. Wie schrijft, blijft.”

Karel van der Toorn, ‘Scribal Culture and the Making of the Hebrew Bible’, Harvard University Press, 2007, gebonden, 401 blz., 29,80 euro.


Plaats een reactie


Reacties

Aanbevolen

Powered by
Movable Type 4.1