«« De Verlichting was vooral radicaal
Begin
Wim Klever's Ethicom »»

'God is pas echt gevaarlijk'

directe link naar dit bericht link naar de reacties rubriek: recensies

De God van Spinoza is een heel bijzondere. Want die god schrijf je met een kleine 'g', niet met een grote. Spinoza was dan ook een criticus van religie. Een late navolger van Spinoza is Richard Dawkins. Die heeft zojuist een boek uitgebracht in zijn eigen, niet aflatende strijd tegen religie. Het boek draagt de titel 'The God Delusion', oftewel 'De God-illusie'. Een moderne bijbelkritiek, besproken door Rob van den Berg.

Publicatie in NRC Handelsblad.

God is pas echt gevaarlijk


De evolutiebioloog Richard Dawins leidt de aanval op religie, door de natuurwetenschap. Vanuit de evolutie is de taaiheid van het geloof, uiterst moeilijk te verklaren.

    Door Rob van den Berg, uit NRC Handelsblad.
    Richard Dawkins: The God Delusion. Bantam Press, 406 blz. € 35,–

Als kind hoorde Richard Dawkins eens een geest tot hem spreken. Hij kon de woorden die een plechtige mannenstem tot hem sprak niet goed verstaan, en ging daarom, bang als hij was, zijn bed uit op de bron van het geluid af. Zo ontdekte hij dat de wind door een sleutelgat speelde en daarbij een lage fluittoon produceerde: ‘Als ik een meer ontvankelijk kind was geweest, dan had ik misschien niet alleen onbegrijpelijke spraak gehoord, maar woorden en zinnen. En als ik ook nog religieus zou zijn opgevoed, wie weet wat de wind dan tot me had gezegd.’

In al zijn eenvoud weerspiegelt deze anekdote uit Dawkins nieuwe boek The God Delusion, dat een afrekening wil zijn met de godsdienst, de inhoud van het boek: de ontvankelijkheid van een kind, de bovennatuurlijke interpretatie, de zoektocht naar een verklaring gedreven door nieuwsgierigheid, en tenslotte de ‘natuurlijke’ oplossing. Het zijn precies die elementen die in dit schitterende, voor gelovigen confronterende, boek ter sprake komen.

Dawkins [interview bij Salon.com], de evolutiebioloog van de universiteit van Oxford die wereldberoemd werd door zijn theorie van het ‘zelfzuchtige gen’, is niet de enige wetenschapper die zich de laatste tijd over de relatie tussen godsdienst en wetenschap buigt. Zijn kompaan Daniel Dennett (Breaking the Spell) ging hem al voor, maar ook Lewis Wolpert (Six Impossible Things Before Breakfast), Owen Gingerich (God’s Universe) en Francis Collins (The Language of God) mengden zich in het debat, terwijl binnenkort ook nog God. The Failed Hypothesis verschijnt van de natuurkundige Victor Stenger.

Ook in Nederland was er enige opschudding rond de bundel Schitterend Ongeluk of Sporen van Ontwerp? van Cees Dekker en Ronald Meester.

Wetenschap en religie botsen steeds vaker. Zo gaan er in de Verenigde Staten stemmen op om de evolutietheorie en de Intelligent Design-theorie (dat alleen een Schepper de complexiteit van het leven op aarde kan verklaren ) in het onderwijs even veel aandacht te geven. President Bush sprak onlangs zijn veto uit over een wet die een grotere vrijheid beoogt voor het stamcelonderzoek. Het is daarom de hoogste tijd, zo betoogt Dawkins, dat wetenschappers, die in grote meerderheid niet in een persoonlijke God zeggen te geloven, het voortouw nemen in het debat. In de Verenigde Staten noemen mensen met een ‘naturalistisch’ wereldbeeld – vrij van bovennatuurlijke of mystieke kenmerken – zich al ‘brights’, net als homoseksuelen zichzelf ooit gays gingen noemen Richard Dawkins verkeert al jarenlang op voet van oorlog met het geloof, een oorlog tussen rationalisme en bijgeloof, met godsdienst als de meest verspreide vorm daarvan. Hij vindt God een verkeerd en zelfs gevaarlijk concept: ‘ [...] zonder godsdienst geen zelfmoordterroristen, geen kruistochten, geen heksenjachten, geen 9/11, geen oorlog in het Midden-Oosten, geen problemen in Noord-Ierland en ga zo maar door.’

Dawkins stoort het onevenredig grote respect dat godsdienst automatisch ten deel valt. Waar anderen respect voor hun opvattingen moeten verdienen op basis van argumenten, kennis of welsprekendheid, en zich open moeten stellen voor kritiek, zijn opvattingen die op religieuze gronden stoelen, bijvoorbeeld over ethische kwesties, boven iedere vorm van kritiek verheven. Verontwaardigd wijst Dawkins ook op de Deense cartoonkwestie. In moslimlanden verschijnen voortdurend stereotype, anti-joodse cartoons, maar als een krant een aantal tekeningen publiceert over de profeet Mohammed is de wereld te klein. En dat mogen dan uitwassen zijn van een stelletje religieuze fanatici, volgens Dawkins is ‘[...] de leer van een ,,gematigde’’ godsdienst, een open uitnodiging tot extremisme, zelfs al is ze op zich niet extremistisch.’

Het gaat hem om het principe dat het geloof leert om op gezag dingen aan te nemen. Gelovigen lijden aan een 'delusion’: ‘een hardnekkig, vals geloof, waaraan iemand vasthoudt ondanks sterk bewijs voor het tegenovergestelde. Of zoals schrijver Robert Pirsig schreef: ‘Als een persoon lijdt aan waanvoorstellingen, heet het krankzinnigheid, als er meer mensen aan lijden is het een godsdienst.’

Dawkins wil een serieuze poging doen om gelovigen van die waan te genezen. Hij wil zijn lezers bekeren, schrijft hij ergens, maar als je beziet hoe wild hij soms om zich heen slaat, moet je wel concluderen dat die uitspraak niet anders dan ironisch bedoeld kan zijn.

Al begint hij in zijn bekeringsijver nog redelijk voorzichtig en zeer traditioneel, met het onderuit halen van een aantal vermeende bewijzen van Gods bestaan, zoals die van Thomas van Aquino of het ontologische bewijs van Anselmus van Canterbury.

Hij laat ook zien dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat bidden niet helpt en dat goddelijke visioenen berusten op een al te grote hersenactiviteit. En ook de Bijbel is geen door God geopenbaarde waarheid, maar hangt aaneen van onlogische passages en inconsistenties. Maar wat kun je anders verwachten van een ‘[...] bijeengeraapte verzameling, onsamenhangende documenten.’

Er is ook geen God nodig om de complexiteit van het leven op aarde te verklaren. Als bioloog weet Dawkins feilloos hoe hij de voorbeelden onderuit moet halen, die Intelligent Design-theoretici als Michael Behe daarvoor steeds weer naar voren brengen, zoals de zweepstaart van de bacterie. En passant wijst hij er ook op hoe Behe tijdens processen over het onderwijzen van Intelligent Design op scholen in de Verenigde Staten, op beschamende wijze zijn onkunde op biochemisch gebied tentoonspreidde.

Dat zou een waarschuwing moeten zijn voor Cees Dekker en de zijnen. Wat Dawkins echter – volkomen terecht – het meest stoort, is dat Intelligent Design een fundamenteel onwetenschappelijke manier van denken weerspiegelt. Aanhangers ervan zoeken gaten in de kennis en nemen aan dat alleen God die kan vullen. Maar naarmate de wetenschap voortschrijdt, worden gaten kleiner, en blijft er voor de Schepper geen plek meer over om zich te verbergen. En dat terwijl er zo’n schitterende verklaring is voor het ontstaan van al die complexiteit: natuurlijke selectie en overerving van eigenschappen.

In een eerder boek verwoordde hij dit in de metafoor van ‘Mount Improbable’.

Boven op die berg bevindt zich een complex orgaan, zoals het oog of de bacteriële zweepstaart. Dat een dergelijke complexiteit uit zichzelf in één keer zou kunnen ontstaan, is absurd: ‘Alleen God zou de waanzinnige taak op zich nemen om in één keer recht uit het ravijn omhoog te springen.’ Je kunt de berg immers ook aan de andere kant beklimmen langs een heel geleidelijk stijgend pad. De onwaarschijnlijkheid wordt dan opgebroken in een groot aantal veel minder onwaarschijnlijke stapjes.

Bovendien roept de Intelligent Design-hypothese onmiddellijk de vraag op hoe de Ontwerper, die nog veel complexer moet zijn dan een jumbojet, dan is ontstaan. De ene complexiteit wordt verklaard door een andere op te roepen.

Een ander veelgehoord argument vóór het bestaan van God is dat een geloof de basis vormt voor het ontwikkelen van een moreel besef, of zoals Dostojevski het zei: ‘Als God dood is, is alles toegestaan.’ Evolutiebiologen hebben echter aangetoond dat altruïsme en vrijgevigheid helemaal niet onverenigbaar zijn met de theorie van natuurlijke selectie. Verder wijst wetenschappelijk onderzoek uit dat de waarden en normen van gelovigen en niet-gelovigen nauwelijks verschillen. Bovendien, zo voert Dawkins aan, verschuiven die waarden en normen in de tijd. Waar vroeger slavernij werd verantwoord met een beroep op de bijbel, geloven de meeste christenen tegenwoordig dat deze praktijk niet overeenstemt met de wil van God. Niet dat Hij van gedachten is veranderd, maar Zijn woord is blijkbaar voor meer interpretaties vatbaar. Dat de Bijbel sowieso niet het beste richtsnoer is voor een goed leven toont hij aan in twee hilarische hoofdstukken, met een opsomming van al het vreselijks dat mensen elkaar in het Oude en Nieuwe Testament aan doen. Nee, we kunnen maar beter zelf uitmaken wat goed of slecht is.

Waar Dawkins het minst overtuigt, is in zijn verklaring voor de hardnekkigheid van het geloof, terwijl het evolutionair gezien toch zo weinig oplevert. Maar daar gaat het natuurlijk niet om. Geloof biedt hulp en troost, en versterkt het groepsgevoel. Evolutiebiologen zien het echter eerder als een bijproduct van iets anders, dat wél evolutionair voordeel oplevert. Het gemak waarmee we verliefd worden bijvoorbeeld. Of onze aangeboren neiging om teleologisch te denken (alles ‘is’ ergens voor, of gebeurt met een doel). Of het gemak waarmee we intenties toekennen, zelfs aan levenloze objecten (wie heeft er nooit op zijn computer gescholden, als die niet deed wat wij wilden).

Dawkins zelf vermoedt dat dit voortkomt uit de neiging van kinderen om onvoorwaardelijk te geloven wat hun ouders zeggen. Dat mag handig zijn in het licht van alle nuttige informatie waarover ouderen nu eenmaal beschikken, maar het maakt ze tegelijk ook ontvankelijk voor religieuze indoctrinatie.

Op driekwart van het boek is dan al duidelijk dat Dawkins aan een heilloze missie bezig is. Wat hij ook betoogt, en hoe prachtig en met hoeveel humor hij het ook opschrijft, hij weet ook wel dat net zo min als gelovigen kunnen bewijzen dat God bestaat, hij het tegendeel kan aantonen. Het is jammer dat hij de frustratie daarover niet altijd weet te onderdrukken.

Bijvoorbeeld wanneer hij uithaalt naar agnostici of naar hen die eraan vasthouden, dat een wetenschappelijk wereldbeeld en een religieus besef heel goed naast elkaar kunnen bestaan, of dat geloof en wetenschap zich vanuit een positie van wederzijds respect met hun eigen domein moeten bezighouden. Ook wie hem beschuldigt van atheïstisch fundamentalisme krijgt de wind van voren: ‘Fundamentalisten baseren zich op een in een boek geopenbaarde waarheid. Als er bewijzen zijn die die waarheid tegenspreken, dan worden die genegeerd. Ik geloof [in evolutie] niet omdat ik een heilig boek heb gelezen, maar omdat ik het bewijs heb bestudeerd.’

Daarmee betoont Richard Dawkins zich op vijfenzestigjarige leeftijd ook weer wonderlijk consistent, want dat was ook al het credo van dat kleine jongetje, dat zich, alleen in het donker, niet bang liet maken, maar zelf op onderzoek uitging.

 

Comments (6)

Leon:

In de Volkskrant wordt gereageerd door Klaas Hendrikse. Hij is predikant in Middelburg en Zierikzee, en atheïst in hart en nieren. Ongetwijfeld een volgeling van Spinoza, hoewel die vraag nog niet is beantwoord.

Atheïsme en geloof bijten elkaar niet

Geloven in God hoeft niet te betekenen: geloven dat God bestaat. Helaas is dat nu juist wel het misverstand dat veel atheïsten parten speelt. Klaas Hendrikse, zelf dominee én atheïst, geeft een nadere uitleg.

De eeuwenlange strijd tussen atheïsme en geloof wordt geleidelijk aan beslist in het voordeel van de atheïsten. Van God blijft steeds minder over, omdat steeds meer van wat vroeger aan God werd toegeschreven, door de wetenschap is achterhaald. Het lijkt een kwestie van tijd of de Big Bang en de evolutietheorie zijn wetenschappelijke waarheden geworden. Intussen, en het boek van Dawkins draagt daaraan bij, worden de laatste twijfels over het bestaan van God opgeruimd. Het einde van God, geloof en kerk is nabij.

Deze redenering berust op ten minste twee misverstanden.

Het eerste is dat atheïsten vijanden van het geloof zijn. Ik beschouw ze als bondgenoten in de strijd tegen bijgeloof. Tenminste, als ze zuiver op de korrel zijn. Een zuivere a-theïst, de naam zegt het al, is een niet-theïst of anti-theïst.

Een theïst is iemand die gelooft in God als een persoon-achtig ‘wezen’ dat over een aantal eigenschappen beschikt, bijvoorbeeld almacht, alwetendheid, alomtegenwoordigheid et cetera. In die zin ben ik zelf atheïst: ik geloof niet dat die of enige andere God bestaat.

De opvatting dat God een almachtig opperwezen is dat hemel en aarde geschapen heeft, komt nog slechts in behoudende orthodoxe kringen voor. Een moderne gelovige beschouwt dat als een door de christelijke traditie zorgvuldig in dogma’s en belijdenissen verpakt product van vroeg-christelijk bijbels misverstaan dat door de kerk tot aan de Verlichting succesvol en daarna in toenemende mate kansloos is uitgedragen.

Het tweede misverstand is dat geloven in God hetzelfde zou betekenen als geloven dat God bestaat.

Dat God niet bestaat, is wat ik noem een ‘zuiver atheïstisch standpunt met goede bijbelse papieren’.

Het is geen belemmering om in God te geloven. Om van harte te kunnen geloven is het maar beter, of zelfs voorwaarde, dat God niet bestaat. Dat is kerkelijk gesproken een minderheidsstandpunt.

Het staat ook lijnrecht tegenover wat sommige atheïsten beweren.

Herman Philipse bijvoorbeeld zegt dat een gelovige (in religieuze zin) ophoudt ‘gelovige’ te zijn zodra hij de stelling dat God bestaat, niet meer aanvaardt – ook al blijft hij tot een kerkgenootschap behoren (Atheïstisch Manifest, 2004).

Met alle respect, dat noem ik een vorm van ‘b astaard-atheïsme’, dat ervan uitgaat dat 21ste-eeuwse gelovigen nog in de Middeleeuwen leven. Alsof de theologie al eeuwenlang stilstaat en niet inmiddels zou hebben ontdekt dat er bijbels gesproken amper grond is voor de bewering dat God bestaat.

Atheïsten nemen het met die zuiverheid sowieso niet zo nauw.

Waar zij verondersteld worden niet méér te doen dan het weerspreken van een theïst, beschouwen sommigen zichzelf als originele denkers. Dat gaat alleen op voor degenen die zelfstandig op het idee zijn gekomen te gaan beweren dat iets wat niet bestaat, niet bestaat.

Dat is weliswaar origineel, maar het heeft met denken niet zo veel te maken. Anderen gaan zo ver dat zij menen iets te weten over iets wat niet bestaat. Paul Cliteur, auteur van God houdt niet van vrijzinnigheid, kent zelfs de voorkeuren van de niet-bestaande Allerhoogste.

Zuiver atheïsme, geloof en kerk kunnen heel goed samengaan en veel van elkaar leren.

Voor de kerk zou het wel eens een zegen kunnen zijn als het wereldvreemde taalgebruik, de liturgie en allerlei andere zogenoemde vanzelfsprekendheden, geconfronteerd worden met nuchter atheïstisch verstand. Wie weet wat dood is, kan niet geloven dat de gestorven Lazarus door Jezus uit de dood is opgewekt en weer gewoon verder ging met leven. De atheïst kan ervan leren dat een mens méér is dan zijn verstand. Als hij beweert dat het onzinnig is om te bidden in de zin van je richten tot een wezen en vragen om een uitzondering op de willekeur, dan heeft hij gelijk.

Als hij beweert dat bidden niets uithaalt of nergens goed voor is, dan stapt hij over de lijn: daar weet hij niets van. Net zo min als de gelovige overigens. Wie zegt ‘God laat mij niet alleen’, spreekt geen rationele afweging uit, maar verwoordt een ervaring. Die ervaring is een bron van kennis die veel meer bevat dan er verstandelijk over te zeggen valt. En bovendien: hoe vaak doen we iets, niet omdat het zo verstandig is, maar zo leuk of zo lekker. Er blijft dus lekker een irrationeel stuk waar de atheïst met zijn ratio niet komen kan.

Als beide partijen achter de lijn blijven, kunnen ze samen een mooie toekomst tegemoet gaan.

Dawkins schrijft: Als dit boek teweegbrengt wat ik hoop, dan zullen gelovige lezers die het openen atheïsten zijn als ze het weer neerleggen.

Ik help het hem hopen.

Klaas Hendrikse is predikant in Middelburg en Zierikzee, en atheïst in hart en nieren.

Het verschijnen van de Nederlandse editie van God als misvatting van Richard Dawkins is aanleiding voor een debat op zondagmiddag 26 november om 15.00 uur in De Duif te Amsterdam. Deelnemers onder anderen Piet Hein Donner, Désanne van Brederode, Maarten van Rossem en Klaas Hendrikse (toegang € 7,50; reserveringen: dawkins@nieuwamsterdam.nl). Door Human gemaakte videoverklaringen verschijnen op Nederland 2 en op vk.tv/vangodlos.

Human - Nieuw Amsterdam - de Volkskrant

Leon:

In de NRC werd ook gereageerd op het boek van Dawkins. Wim Klever legt uit waarom de inzichten van Spinoza wel tot begrip voor het 'God probleem' geven. Bottom-line? Er is geen probleem.

God als misvatting

Het boekenblog op www.nrc.nl/boekenblog over Dawkins doorgelezen hebbende, moet het mij van het hart, dat alle 79 deelnemers aan de discussie over The God Delusion net als Dawkins zelf de plank misslaan. De volgelingen betogen met de meester dat het traditionele godsbegrip onhoudbaar is in het licht van de wetenschap; de tegenstanders betogen dat godsdienst als levenspraktijk zinvol beleefd wordt en houden bijgevolg vast aan het Godsgeloof als verantwoorde wereldbeschouwing.

Geen van beide partijen benadert de kwestie zoals dat in de wetenschap gewenst is: a) een zo goed mogelijke vaststelling van de feiten als antwoord op de specifieke vraag: wat is er met de mens aan de hand?, en b) hoe kunnen wij dat merkwaardige gedrag van de mens (in dit geval zijn geloof in een scheppende, voorzienige, sturende, dreigende, ingrijpende en straffende of belonende god of dergelijke goden) causaal verklaren?

Wanneer wij er nu (voor het gemak, maar het is niet onaannemelijk) eens vanuit gaan dat alle mensen, in alle tijdperken en culturen, er een eenvoudige (en veelal wonderlijke) voorstelling van een of meerdere goden met bovengenoemde functies op na houden, dan kunnen wij dat historische gegeven wel willen ontkennen en trachten er iets anders voor in de plaats te stellen, maar dan zijn wij niet met wetenschap bezig, doch met de verwerkelijking van een utopie.

Dit is wat Dawkins doet en nogal driftig ook. Hij houdt zich niet bezig met de mensen zoals die blijkbaar zijn, maar streeft er naar om de mensen te veranderen en hen tot een andere diersoort te transformeren, een diersoort die dergelijke godsbeelden niet kent en, mits daarmee geconfronteerd, ook niet weet te appreciëren.

Beter is het om na te gaan, wat de oorzaken zijn, dat mensen allerwegen er toe komen om er de godenwaan of, vriendelijker gezegd, het godsgeloof op na te houden. Erken 's mensen wezenlijke en diep gewortelde (Spinozas kwalificaties) religieuze voorstellingen en tracht ze uit de historia naturalis oorzakelijk te verklaren, als het noodzakelijke uitvloeisel van onze beperkte ervaring van de eindeloos gedifferentieerde, overmachtige of angst aanjagende werkelijkheid.

Vanuit een mensbeschouwing als die van Spinoza zal dan blijken dat geen mens ontkomt aan het cultiveren van diverse wanen, waaronder de primitieve gods-waan.

Maar dat hoeft natuurlijk niet te betekenen dat de mens altijd in een dergelijke waan blijft steken. Met de echte kennis die als vanzelf groeit als bezinksel uit zijn millioenen ervaringen, zal hij zijn waanvoorstellingen (het godsbeeld is zeker niet de enige) wel niet kunnen vernietigen of opheffen, maar althans weten te relativeren en als een (onvermijdelijke) illusie begrijpen.

Daar is geen fanatieke Dawkins of drieste godloochenaar voor nodig. Wat gemeenschappelijk is aan al onze ideeën, zal ons in staat stellen en er effectief toe bewegen, om niet alleen geen geloof meer te hechten aan onze primitieve voorstellingen (dit op grond van hun ondenkbaarheid en dus hun onbestaanbaarheid), maar zelfs ook in te zien hoe zij noodzakelijkerwijs in ons werden geproduceerd.

Wim Klever, Capelle aan den IJssel

Leon:

Ook in Trouw wordt het boek gerecenseerd. Door Herman de Dijn.

Religie als dodelijk virus

Niet godsdienst, maar Richard Dawkins' visie is misvatting

Richard Dawkins: God als misvatting.

Vert. door Hans E. van Riemsdijk. Nieuw Amsterdam Uitgevers. ISBN 9046801470; 448 blz. € 24,95

Dawkins is niet alleen een van de meest controversiële neo-Darwinisten, hij is ook de bekendste atheïst van het moment.

Met dit boek wil hij definitief afrekenen met het grootste kwaad dat volgens hem de mensheid bedreigt, de godsdienst.

Dawkins’ tactiek in de strijd tegen de godsdienst bevat niets nieuws, is al uitgedokterd sinds Hume en Russell.

De stappen zijn de volgende: 1) discrediteer de argumenten voor het bestaan van God; 2) geef argumenten vóór de tegengestelde hypothese (de extreme onwaarschijnlijkheid van Gods bestaan als oorzaak van het universum); 3) ondermijn het idee van een transcendente oorsprong van de religie: religie is een natuurlijk fenomeen; 4) een zinvol en ethisch leven is perfect mogelijk zonder religie.

Commentatoren, zowel gelovigen als niet-gelovigen, wijzen erop dat Dawkins – wat de eerste twee stappen betreft – al te gemakkelijk victorie kraait, zich niet meet met de beste verdedigers van bijvoorbeeld de godsbewijzen, en allerlei retorische trucjes uithaalt om zijn slag te slaan. Ik ken haast geen enkel filosofisch probleem dat definitief is opgelost of waarvan de ‘oplossing’ niet op vernuftige wijze wordt betwist.

Dat is nu eenmaal het lot van theoretische opvattingen. In dit korte bestek wil ik me vooral bezighouden met enkele elementen uit de twee volgende stappen in Dawkins’ strategie.

Zowel Einstein als Wittgenstein leerde ons dat wetenschap ons niets fundamenteels te vertellen heeft inzake de meest centrale vragen van het menselijk leven: wat de zin is van mijn bestaan, wat het goede is waarnaar we moeten streven. Religie situeert zich (zoals de ethiek) in het domein van de zingeving en niet in dat van de strikte kennis. Daarom kunnen religie en wetenschap eigenlijk geen concurrenten zijn van elkaar.

Dit betekent dat de vraag naar het bestaan van God, als het al een zinvolle vraag is, geen wetenschappelijke vraag kán zijn, in tegenstelling tot wat Dawkins (én vele theologen) menen. Het is een even onwetenschappelijke vraag als de vraag of de werkelijkheid uiteindelijk goed is.

Dit betekent niet dat feiten (zoals het historisch bestaan van Jezus Christus) geen enkele rol spelen in religie. Alleen spelen ze een gelijkaardige rol als in, bijvoorbeeld, de liefde. Ontrouw is een feitelijke kwestie; toch heeft de conclusie die ermee wordt verbonden niets te maken met wetenschappelijke of theo- Voor de Britse wetenschapper Richard Dawkins staat het vrijwel vast dat er geen Opperwezen is. Maar Herman De Dijn vindt dat de vraag naar het bestaan van God niets wetenschappelijks heeft. Hij noemt Dawkins' visie ontstellend naïef, deprimerend in haar optimisme en extremistisch.

retische (ir-)rationaliteit.

Dit soort filosofische consideraties zijn duidelijk niet aan Dawkins besteed.

Hij kan dus vrolijk doen alsof alle gelovigen, ook de wetenschappers onder hen, én alle niet-gelovigen die het met hem oneens zijn (zoals Stephen Gould) ofwel bedriegers, ofwel warhoofden zijn.

Religie als natuurlijk fenomeen heeft een verbluffende overlevingskracht.

Hoe kan dat als ze zo negatief is? Antwoord van Dawkins: ze is een betreurenswaardig nevenproduct van evolutionistische processen.

Er zijn niet alleen biologische replicatoren (genen), maar ook culturele (memen). Memen, zoals de Godsidee, zijn een soort ‘geestelijke’ parasieten in onze hersenen. Zoals erfelijke gedragspatronen van motten (nachtelijk vliegen georiënteerd op de lichtstralen van de maan) kunnen leiden tot dodelijke neveneffecten (zich doodvliegen in het kaarslicht), zo brengen religieuze memen die ooit misschien constructief waren, nu desastreuze effecten voort.

Een betwistbare hypothese, uiteraard.

Maar waarom niet zeggen dat we ook in onze dagelijkse relaties, in ethiek en politiek, geleid worden, niet door rationeel inzicht, maar door memen? Memen die verband houden met liefde, zorg, rechtvaardigheid.

Zoals Hume al zei, worden we ook daar geleid door grotendeels onvermijdelijke ‘ficties’. Afgezien van die van God, ook en vooral de fictie van het autonome, kritische zelf – een centrale meme in D aw k i n s ’ denken. Dat we deze ‘ficties’ netjes kunnen scheiden van elkaar, of dat de ene zonder meer waan is en de andere zuiver redelijk, is een misvatting. Dat alle ellende komend van andere memen (betreffende gender, ras, nationaliteit enzovoort) alleen of vooral via de band met religieuze memen zou worden veroorzaakt, is een gedachte die alleen uit extreem vooroordeel kan worden verklaard.

Dawkins is ook gedreven door de ficties van de rationaliteit en van de onstuitbare vooruitgang die in de lijn ligt van het goede (terwijl dat goede dan weer niets anders is dan wat in de lijn ligt van de vooruitgang).

Wetenschap, techniek, economische ontwikkeling zijn allemaal miraculeus goed, ook in hun neveneffecten.

Wat een naïviteit! De nieuwe Tien Geboden van Dawkins bevatten precies de morele clichés van de kleinburgerlijke Britten die hem tot de topintellectueel van The British Empire uitriepen.

De visie op wereld en evolutie van Dawkins mag dan gesteund zijn op ‘onze beste wetenschappelijke inzichten’, zijn levensvisie is ontstellend naïef, deprimerend in haar optimisme en extremistisch. Typisch is zijn fulmineren tegen religieuze opvoeding als zijnde het doorgeven van het gevaarlijke God-virus. Religieuze ouders zou verboden moeten worden hun kinderen op te voeden.

Ouders moeten integendeel vooral kritische zin bijbrengen door kinderen te confronteren met alternatieven waarover ze afstandelijk moeten leren nadenken. Daaruit kunnen ze dan later kiezen (zoals ze kiezen tussen T-shirts?). Hoe kan er tussen ouders en kinderen vertrouwen zijn als die ouders hun kinderen niet mogen inwijden in wat voor hen van wezenlijk belang is?

Hoe kunnen ouders hun kinderen ethisch opvoeden als ze die ethiek tegelijk als zomaar een optie moeten voorstellen?

Religie bevat geen wetenschappelijke rationaliteit; ze bevat echter niet zelden een soort levenswijsheid nauw verbonden met verhalen, symbolen en riten. Eenmaal spreekt Dawkins over het doopsel, op een manier die van totaal onbegrip getuigt.

Het (religieuze) mysterie is geen onoplosbare puzzel, het is datgene wat als verwonderlijk overblijft als alle wetenschappelijke vragen naar het hoe en waarom zijn opgelost (Wittgenstein). Zoals de glimlach verwonderlijk blijft ook al weten we er neurofysiologisch en sociobiologisch alles van. Zoals schuld, dood, trouw afgrondelijk verwonderlijk blijven, ook na wetenschappelijke verklaring.

Religie geeft geen antwoorden op die mysteries. Die vragen niet om antwoorden, maar om gepaste reacties waarin men zich echt met het geopenbaarde confronteert. Daarom kan niet wetenschap, maar wel een systeem van verhalen, riten en symbolen tot enige levenswijsheid leiden.

Religie is leren leven met het leven dat nooit echt ‘in orde’ is. Leszek Kolakowski schreef: ,,Religion is a man’s way of accepting life as an inevitable defeat.'' (Hoe het leven als een onvermijdelijke nederlaag toch te aanvaarden, dat is wat religie voor een mens betekent.) Daarom is religie doorgaans oneindig interessanter dan Dawkins’ zelfgenoegzame atheïstische ‘rationaliteit’.

Herman De Dijn De recensent is hoogleraar filosofie te Leuven. Hij publiceerde recent 'Religie in de 21ste eeuw, Kleine handleiding voor voor- en tegenstanders'. Klement/ Pelckmans.

Een vader en zijn kinderen vieren het joodse Poerimfeest. Volgens Dawkins zou religieuze ouders verboden moeten worden hun kinderen op te voeden. FOTO WERRY CRONE, TROUW


Paul:

En Jezus dan Zoon van God... Zijn dood en Opstanding. onzin? Wie zoekt zal vinden toch?

Leon:

Door Piet Borst wordt het bestaan van God behandelt via een bespreking van het boek 'The language of God', van Francis Collins. Uit NRC.

Bestaat God wel?

Piet Borst Proefschrift, NRC, 27012007

Ook een atheïst kan zich met Kerstmis niet onttrekken aan een snufje religie. De bijbel is mij te gruwelijk en te gedateerd, maar er was een alternatief: de biochemicus Francis Collins heeft een boek geschreven, ‘The language of God’ (Free Press, 2006) [LK: lees een stuk uit dit boek bij ABCnews], waarmee ik al maanden om de oren word geslagen door christelijke collegae, omdat Collins het wetenschappelijke bewijs voor de zinnigheid van geloof zou hebben geleverd.

Collins is niet de eerste de beste.

Hij is niet zo briljant als op de flap van zijn boek staat, maar een goede vakman die iets heeft bijgedragen aan de opheldering van de oorzaak van aangeboren stoornissen, zoals de taai-slijmziekte.

Hij is al jaren de directeur van het Humane Genoom Project [LK: een mooie verschrijving, het is natuurlijk 'Human Genome Project' (engels), of 'Humaan Genoom Project' (nl)] en mijn biochemische collegae denken dat hij de speech van Clinton heeft geschreven toen die de opheldering van het menselijk genoom mocht aankondigen en de A, T, G en C van ons DNA als de taal van God omschreef. Ik was dus wel benieuwd hoe hij God en DNA onder één noemer brengt.

Eerst de goede boodschap: dit is een handig boek voor christenen die nog worstelen met de discrepantie tussen Bijbel en Darwin. Vanuit zijn geloof weerlegt Collins de tegenwerpingen tegen evolutie veel effectiever dan een atheïst dat ooit zou kunnen doen. Hij heeft te doen met al die Bijbelfanaten en neemt ze liefdevol bij de hand om ze de wondere wereld van de hedendaagse biologie en kosmologie binnen te leiden.

Ook absurde scenario’s van fundi’s behandelt hij minutieus: zou God ons genoom volgeplempt hebben met nietfunctionele genen om ons te misleiden en ons geloof te testen? Uiteraard niet.

“Geen serieuze bioloog twijfelt vandaag nog aan de juistheid van Darwins evolutie theorie. Evolutie als mechanisme moet wel juist zijn”.

Collins combineert zijn natuurwetenschappelijke wereldbeeld met een vurig christelijk geloof. Hij meent ook harde wetenschappelijke argumenten aan te kunnen voeren voor zijn mening dat geloof in God plausibeler is dan atheïsme.
Vanaf dit punt verliest het boek overtuigingskracht en heeft Collins zelfs moeite om de feiten nog precies te presenteren. Het begint al met Collins’ jeugd. De flap beschrijft de dramatische reis van atheïsme naar geloof, maar wie het boek leest ziet al gauw dat ex-atheïst Collins de gebruikelijke Amerikaans-christelijke wortels heeft. Weddenschappen afsluiten met God, zingen in een kerkkoor, dat hoort niet bij een solide atheïstische opvoeding kan ik u verzekeren. De bekering van Collins is een terugkeer naar geloof, niet een atheïst die plotseling het licht ziet.

Het gaat echter niet om de wijze waarop Collins aan zijn geloof is gekomen, maar om de onderbouwing. Collins begint met vast te stellen dat hij natuurlijk niet kan bewijzen dat God bestaat en dat geloof in God altijd een “leap of faith”, een sprong in het goedgelovige vereist. Na aldus zijn eigen bewijsvoering bij voorbaat onderuitgehaald te hebben, komt Collins met twee argumenten aanzetten: Zijn eerste is de Morele Wet, de “wet van het fatsoenlijk gedrag”, het besef van recht en krom dat bij alle mensen aanwezig is. Hoewel dieren soms een rudimentaire vorm van moreel besef vertonen, is het echte besef van goed en kwaad voorbehouden aan de mens, denkt Collins. Omdat dit besef geen aanwijsbare evolutionaire oorsprong heeft, moet het een reflectie zijn van de speciale relatie die God met de mens is aangegaan.

Hier klopt geen hout van, wetenschappelijk gezien. Hoog ontwikkelde sociale zoogdieren hebben wel degelijk weet van goed en kwaad, van fair en niet fair. Alleen Collins weet dat niet. Had hij het boek “De aap in ons” van Frans de Waal gelezen, dan had hij die onzin over de exclusief menselijke Morele Wet zo niet opgeschreven. Die Morele Wet van Collins is overigens nogal eenzijdig geformuleerd. Verder dan het Nieuwe Testament en het “keert de andere wang” kijkt Collins niet. De inquisitie, de gelovige die zichzelf opblaast in een supermarkt, de paus die condomen verbiedt, dat vindt Collins geen echte religie. Dat zijn de “roestige vaten”waarin het “zuivere water van het geloof” per abuis terecht is gekomen.

Historisch lijkt mij dit een onhoudbaar standpunt. Net als bij chimpansees is de Morele Wet bij de mens van oudsher beperkt gebleven tot de eigen clan. In het Oude Testament worden tegenstanders nog met enthousiasme integraal omgebracht. De oudtestamentische God is een wraakzuchtig mannetje.

Niks fatsoenlijke behandeling van medemensen: afslachten die hap met hun foute God. Het is Collins ook ontgaan dat zijn Morele Wet mensen zelfs kan aanzetten tot gruwelijkheden tegen de eigen clan – mensenoffers – iets waar de minder sophisticated chimpansee nooit op is gekomen.

Het tweede argument van Collins voor het bestaan van God is dat iedere menselijke cultuur altijd God heeft gezocht en dat God dus moet bestaan.

Wat een wonderlijk argument!

Die zoektocht naar goden (niet God!) was logisch toen mensen nog van toeten noch blazen wisten en zich het noodlot met gebeden en offers van het lijf poogden te houden. Nu bidden mensen niet meer tot Zeus of Wodan, maar gespen hun autogordel aan en betalen hun verzekeringspremies. Afkloppen op ongeverfd hout, je horoscoop lezen, bidden in de hoop dat de wetten van de natuur even terzijde worden geschoven voor jouw speciale geval, Mariaverering, het gebeurt allemaal, maar moeten we dat nu echt zien als bewijs voor het bestaan van God, Maria, Wodan, etc.? Dat zijn primitieve reacties van simpele zielen. Met wetenschap heeft het niets te maken.

Zelfs in Amerika, waar een oppervlakkig en zelfgenoegzaam soort christendom de norm is, geloven slimme, ontwikkelde mensen nauwelijks.

Meer dan 90% van de Angelsaksische wetenschappelijke elite – de leden van de US National Academy of Sciences en van de Britse Royal Society – geloven niet in een persoonlijke God. Die zoektocht naar God is dus niet van alle tijden, maar van verleden tijden. Wie nog twijfelt leze het goed gedocumenteerde boek van Dawkins, “The God Delusion”, in de NRC besproken op 3/11/06.

Aan het eind van het boek laat Collins iedere wetenschappelijke pretentie varen.

Hij komt tot Jezus Christus en beweert glashard dat aan de historische juistheid van de bijbelse beschrijving van Jezus niet getwijfeld wordt. Als Collins eenmaal deze draai heeft gemaakt gaat alles schuiven: terwijl hij God eerst nog alleen op heeft laten treden bij de oerknal, waarna alles netjes volgens de natuurwetten verliep, gaat hij nu twijfelen: misschien bestaan er toch wel wonderen, niet zo vaak als de katholieke kerk ons wil doen geloven, maar helemaal uitsluiten wil Collins die wonderen toch niet. Ook blijkt God nu wel degelijk beschikbaar te zijn om naar de gebeden van Collins te luisteren.

Hij beklemtoont eerst dat er geen enkele aanwijzing is voor een ingrijpende God, maar eindigt toch met de nogal onwetenschappelijke wens dat God een handje toesteekt als hij in de penarie zit.

Het antwoord op de vraag “bestaat God wel, wetenschappelijk gezien”, blijft dus negatief. Er is geen aanwijzing voor het bestaan van een interveniërende God die over ons waakt en die onze gebeden verhoort. Het boek van Collins verandert daar niets aan. Het is nooit mogelijk om het ontbreken van een God sluitend te bewijzen, maar zo’n God blijft onwaarschijnlijk. Alle geloof is, wetenschappelijk gezien, bijgeloof.

De morele pretenties van gelovigen zijn op drijfzand gebouwd, voor zover ze zijn gebaseerd op aanwijzingen van Hogerhand. Het valt te hopen dat Wouter Bos dat in het oog houdt bij de lopende kabinetsformatie.

Leon:

Een laatste toevoeging aan dit artikel gaat over onderzoek dat door Sander Tans wordt gedaan. Tans heeft onderzocht hoe de E-coli bacterie evolueert. Dat pad lijkt voorspelbaar te zijn.

Bergen van selectie

Door Sander Voormolen, uit NRC 27012007

Evolutie gaat in kleine stapjes die altijd verbeteringen zijn. Selectie drijft het systeem daardoor snel naar het optimum, ontdekte fysicus Sander Tans. ‘Iets wat moeilijk lijkt, gaat in feite heel makkelijk.’

EEN BERGACHTIG landschap van hoge en minder hoge pieken, zo stelt de Amsterdamse fysicus Sander Tans zich de evolutie voor. Tans bestudeert de evolutie van eiwitten; hoe zij door mutaties een nieuwe functie verwerven. De eiwitten beginnen in het dal en als er zich een voordelige mutatie voordoet, gaan zij een stapje omhoog de berg op.

Organismen met eiwitten die de hoogste top bereiken, zijn het best aangepast. Zij hebben de hoogste fitness, zoals biologen dat noemen. De bergachtige evolutiemetafoor is algemeen populair geworden door het boek Climbing Mount Improbable [LK: voor een videoles van Dawkins over Mount Improbable zie deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5, deel 6, deel 7, deel8] van de Britse evolutiebioloog Richard Dawkins. Evolutie selecteert steeds de best aangepaste varianten en daardoor is de diversiteit van het leven ontstaan.

Dawkins doopte de berg ‘Improbable’ (Onwaarschijnlijk) omdat het tegenintuïtief lijkt dat levende organismen door min of meer toevallige mutaties steeds beter aangepast raken en daarmee de top bereiken.

Maar volgens fysicus Sander Tans, die zijn eigen onderzoeksgroep heeft bij het AMOLF-instituut in Amsterdam, komen er nu steeds meer aanwijzingen dat de evolutie naar beter aangepaste vormen veel makkelijker verloopt dan vaak wordt aangenomen. “Ons werk en dat van een aantal anderen heeft een eerste blik op natuurlijke (gemeten) evolutionaire landschappen opgeleverd. Wat blijkt is dat die landschappen vaak zo’n vorm hebben dat het systeem vanzelf naar de juiste weg naar de top geleid wordt. Zo kan het systeem met hoge kans en snel de goede eindvorm vinden. Iets wat moeilijk lijkt, gaat in feite heel makkelijk. ”

Fitness-voordeel

Dat klinkt als magie, maar dat is het niet, legt Tans uit. Om snel naar de top te kunnen moet elke nieuwe mutatie een fitness-voordeel bieden ten opzichte van de voorgaande stap. Uit onderzoek van Tans’ groep blijkt dit mogelijk, ook al is de nieuwe mutatie op zich niet voordelig als je naar de eiwitfunctie kijkt. Het sleutelwoord is hier netwerkcompensatie.

“Eiwitten werken meestal samen met diverse andere moleculen, in een netwerk. Er blijken mutaties te zijn die tegelijkertijd zowel een positief als een negatief effect hebben op de fitness. Bijvoorbeeld wanneer zo’n mutatie de samenwerking met een moleculaire partner verslechtert en op hetzelfde moment die met een ander verbetert. Dan kan het net zijn dat het voordeel het nadeel overstijgt, zodat de top toegankelijk wordt. Dat de netwerkstructuur bepalend kan zijn voor evolutie is een nieuw inzicht.”

Deze week publiceerde Tans, samen met zijn promovendi Frank Poelwijk en Daan Kiviet en met de Amerikaanse evolutiebioloog Daniel Weinreich van Harvard University, een overzichtsartikel over evolutionaire landschappen in Nature (25 januari). “In het artikel schetsen wij dat we nu eindelijk een aantal basisvragen die Darwin al opriep, kunnen onderzoeken. Het probleem was altijd dat we het proces van variatie en selectie niet direct konden volgen, omdat deze verloren gaan in grote populaties en de complexe genetische code. Wat miste waren de overgangsvormen, de evolutionaire tussenstappen.”

In zijn beroemde boek On the Origin of Species, schreef Darwin al: ‘...why, if species have descended from other species by insensibly fine gradations, do we not everywhere see innumerable transitional forms?’ Dat is het aloude probleem van de evolutiebiologie. Wat we om ons heen zien is het resultaat van soms miljoenen jaren evolutie, maar het proces zelf is veel lastiger waar te nemen.

Daarin komt nu langzamerhand verandering, schrijven Tans en zijn medewerkers in het overzichtsartikel. Op moleculair niveau zijn evolutionaire veranderingen nu stap voor stap te volgen, en kunnen evolutionaire landschappen geconstrueerd worden. Een ander voorbeeld is het onderzoek van Weinreich (Science, 7 april 2006). De Amerikaan beschrijft hoe het bacteriële enzym betalactamase zich langzaam aanpast aan het nieuwe antibioticum cefotaxime.

Bij de resistentie tegen dit antibioticum zijn vijf verschillende mutaties betrokken. Bacteriën die ze alle vijf hebben zijn 100.000 keer resistenter tegen cefotaxime dan gewone bacteriën. Omdat er verschillende combinaties van deze mutaties mogelijk zijn leidt dit tot 32 mogelijke varianten.

In de evolutionaire geschiedenis gaat het erom in welke volgorde die mutaties zijn aangebracht. Theoretisch zijn er 120 mogelijke ‘paden’ die leiden tot de ‘top’ van een bèta-lactamase met alle vijf mutaties. Daarvan blijken er volgens Weinreich slechts achttien ‘toegankelijk’. Dat wil zeggen: deze voldoen aan de voorwaarde dat elk tussenstapje een resistentere bacterie oplevert dan het vorige. Lang niet al die toegankelijke paden zullen in de praktijk voorkomen, schrijft Weinreich, want er zitten er een paar tussen die per mutatie relatief grote fitnessvoordelen geven.

Deze maken grote stappen en zijn dus snel aan de top. “Het aantal waarschijnlijke paden is daarmee zo overzichtelijk, dat het verloop van de evolutie haast voorspelbaar wordt”, zegt Tans. “Dat wil overigens niet zeggen dat de andere paden tijdens de evolutie niet geprobeerd worden, maar in de selectie overleven ze niet.

Wat overblijft zijn de paden met een goede volgorde van mutaties, waarbij elke stap voordelig is. Je zou in bacteriën zelfs ook in de praktijk kunnen meten welke evolutionaire paden worden gevolgd, maar dat is nog niet gedaan.”

Volgens Tans heeft het inzicht dat de evolutie kennelijk vaak dezelfde paden kiest ook gevolgen voor het genetische sequentie-onderzoek en de stamboomanalyse. “Organismen kunnen onafhankelijk met precies dezelfde oplossing komen, maar onderzoekers in dit veld houden daar geen rekening mee. Modern evolutionair onderzoek is heel erg beïnvloed door het sequentie-onderzoek. Gemeenschappelijke voorouders worden geïdentificeerd op basis van het feit dat heel veel basenparen overeenkomen en een paar anders zijn. Dat levert heel mooie evolutionaire relaties tussen soorten. “Dat is heel krachtig, maar tegelijkertijd wel een heel erg beschrijvende wetenschap. Het geeft geen verklaring voor wat er tijdens de evolutie is gebeurd. Door naar het evolutionaire landschap te kijken weten we pas waarom een bepaald pad is gevolgd.”

Optische pincetten

De wetenschappelijke loopbaan van Tans begon in Delft waar hij promoveerde op koolstof nanobuisjes. Vervolgens verlegde hij zijn werkterrein naar de biofysica en bestudeerde hij de bewegingen van biologische eiwitten met optische pincetten. Vijf jaar geleden maakte hij opnieuw een switch, ditmaal naar de evolutiebiologie.

“Tijdens mijn promotieonderzoek in Delft werd ik gedreven door verwondering”, vertelt Tans. “Ik stuitte op een moleculaire wereld die je niet zo maar kon begrijpen. Nu, in de biologie, is die verwondering nog veel groter. Daarmee vergeleken is nanotechnologie peanuts.” Tans is overigens lang niet de enige fysicus die zich heeft ‘bekeerd’ tot de biologie.

“In de helft van dit gebouw gebeurt nu biologisch onderzoek”, zegt hij bij de koffieautomaat in de hal van het AMOLF-instituut. AMOLF staat voor Instituut voor Atoom- en Molecuulfysica. Van oorsprong is dit een bolwerk van fundamenteel natuurkundig onderzoek dat zich richtte op de dode materie. “Maar nu zijn er zelfs laboratoria, waaronder die van mijn eigen groep, waar levende cellen gekweekt worden.”

Natuurkundigen, ook in het AMOLF, doen veel onderzoek aan de werking van enkele moleculen, vertelt Tans. “Ze bestuderen in geïsoleerde systemen hoe bijvoorbeeld een biologisch eiwit complexe taken kan uitvoeren. Zo leren ze veel over de werking ervan, maar uiteindelijk komen ze altijd weer uit bij de vraag hoe zo’n ingewikkeld eiwit heeft kunnen ontstaan. Evolutie, kortom.”

In het lab van Tans wordt gewerkt aan de experimentele evolutie van regeleiwitten in bacteriën. “Onze experimentele methoden en technieken zijn biologisch, maar onze aanpak, met de focus op modelsystemen, past bij het natuurkundige. We richten ons op de fundamentele mechanismen. Het grappige is dat het daarbij niets uitmaakt of je met natuurlijke of kunstmatige elementen werkt. In ons laboratorium laten we de bacteriën functies evolueren waaraan ze in de natuur niets zouden hebben. Dat soort kunstmatige systemen, die niet meer lijken op de werkelijkheid, zijn heel geschikt om te bestuderen welke generieke processen ten grondslag liggen aan evolutie.”

Intelligent design

Tans was ruim tien jaar geleden de eerste promovendus van de Delftse hoogleraar nanotechnologie Cees Dekker. Dekker staat op zijn vakgebied internationaal in hoog aanzien, maar zorgde in Nederland voor opgetrokken wenkbrauwen door openlijk een pleidooi te houden voor Intelligent Design als alternatief voor evolutie. Het leven is in die visie geschapen door een intelligente ontwerper.

Tans: “Ik was toen al geïnteresseerd in evolutie. Niet tijdens het werk, maar tijdens reizen naar buitenlandse conferenties, hebben Cees en ik lange gesprekken gehad. We verschilden van levensbeschouwelijke overtuiging, dachten anders over de rol van evolutie, en hebben daarover stevig gedebatteerd. We hebben echter nooit ruzie gemaakt. Wat ons verbond was de grote verwondering over hoe ingenieus de natuur in elkaar zit. Het gemeenschappelijke is rijker dan sommigen denken, en zo kom je tot nieuwe inzichten.

“Cees gelooft niet in het ontstaan van het leven door evolutie alleen, en tegelijkertijd vindt hij ons soort onderzoek wel cruciaal om de kwestie duidelijk te maken. Hij heeft een andere mening, maar is wel voor een open wetenschappelijk debat. Toch blijft hij erbij dat als we iets verder graven, we dan toch op iets van ontwerp zullen stuiten.

“Mijn onderzoek geeft aan dat er oplossingen bestaan die we op het eerste gezicht niet goed herkennen. We zijn geneigd om mechanistisch en rechtlijnig te denken, maar de natuur werkt soms heel anders. Daarin ligt volgens mij de sleutel tot het mysterie dat evolutie dingen voortbrengt waarvan we niet begrijpen hoe het zo ver heeft kunnen komen. Daar heb je geen Intelligent Design voor nodig.”

Plaats een reactie


Reacties

Aanbevolen

Powered by
Movable Type 4.1