«« Het moest er van komen
Begin

Zijn erf vloog op de kip van zijn buurman

directe link naar dit bericht link naar de reacties rubriek: recensies

In maart 2006 kreeg ik van Jan Knol het manuscript van zijn nieuwe boek toegestuurd, met de titel „Spinoza uit zijn gelijkenissen & voorbeelden”. Knol heeft zich met het boek de taak gesteld om een nieuwe oriëntering te bieden aan mensen voor wie het traditionele geloof is weggevallen of nooit een rol heeft gespeeld. Een fascinerende ontdekkingstocht volgt, waarin Knol middels citaten uit Spinoza's werk en zijn kennis van de bijbel een link legt tussen twee kinderen van het Joodse volk: Spinoza en Jezus.

Het boek brengt Spinoza's filosofie in een volgorde die Knol het meest geschikt acht om deze zo goed mogelijk voor het voetlicht te brengen. Knol bedient zich daarbij van eigen vertalingen van Spinoza's werk. Om de leesbaarheid van Spinoza’s werk voor zijn publiek te verbeteren heeft hij de citaten ingekort.

Het boek bevat naast de 15 hoofdstukken ook een proloog, een epiloog en een samenspraak tussen Jezus en Spinoza. Tot dat laatste werd Knol geïnspireerd door de filosoof Nietzsche met zijn uitspraak "Keiner hätte sich über die Gottheit dem heiland so ähnlich ausgedrückt wie Spinoza". Deze samenspraak, die Knol ten tonele voert (zie over de vrije wil als voorbeeld) levert een aantal gesprekken op rond de thema's die beide denkers hebben behandeld.

Na de inleiding (‘Ik zag dat ik in groot gevaar verkeerde en alles op alles moest zetten om een redmiddel, hoe onzeker ook, te vinden. Zoals een zieke met de dood voor ogen alles op alles zet om een redmiddel, hoe onzeker ook, te vinden omdat daarin zijn enige hoop is gelegen.’ – TIE 7) start Knol in het eerste hoofdstuk met "Gods eindeloze natuur". Elk hoofdstuk opent met een korte introductie, die beneden in een overzicht zijn opgenomen. De citaten zijn per hoofdstuk opgenomen in dit Excel werkblad.

Bij citaten uit de geschriften van Spinoza geeft Knol uitleg en zijn interpretatie, waarna hij via verwijzingen overeenkomsten aangeeft tussen het woord van Spinoza en dat uit de Bijbel. Naast de overeenkomsten worden ook de verschillen geduid: bijvoorbeeld Spinoza die duidelijk maakt dat de bijbelse wonderen worden voorafgegaan door natuurlijke oorzaken. Spinoza gelooft niet in wonderen. Knol maakt duidelijk dat die ook niet in de Bijbel staan.

„De natuurwetten drukken Gods eindeloze energie uit. Vreemd genoeg menen velen dat God pas in actie komt als hij de natuurwetten voor een poosje staakt. Dat is overigens onmogelijk. Dus pas als de natuur passief is, ziet men God als actief. En omgekeerd, als de natuur actief is en gewoon haar natuurlijke wetten volgt, ziet men God als passief. Dat is natuurlijk dwaasheid! Spinoza blijft erop hameren: Deus sive Natura.” (p18)

In het tweede hoofdstuk "Alles is één" wordt op Spinoza's monisme ingegaan. Een citaat uit brief 32, waarin Spinoza aan Henry Oldenburg schrijft, wordt gebruikt als opening. In die brief behandelt Spinoza de vraag hoe hij denkt „over dat onderzoek dat erop gericht is ons inzicht te verschaffen in de vraag hoe ieder afzonderlijk deel van de natuur harmonieert met het geheel waartoe het behoort en hoe het met de andere delen samenhangt (Ep 32).”

In het citaat doet Spinoza de voorstelling van een wormpje dat in het bloed leeft en in staat is alle bloeddeeltjes te onderscheiden. Dat wormpje denkt dat alles om hem draait, en is onwetend over de samenhang tussen de deeltjes in het bloed. Het gaat Spinoza om het geheel.

„God of de natuur, het grote lichaam waarvan alle lichamen deel uitmaken, blijft onveranderlijk zoals het is, ondanks al die talloze wijzigingen van al die talloze lichamen. Het grote geheel is alleen samenstelling, compositie. Zo gezien, zouden we vernietiging en samenstelling gelijkelijk kunnen waarderen.[...] Ook al wisselt God of de natuur voortdurend in onderdelen, in zijn geheel genomen blijft God of de natuur aan zichzelf gelijk, eeuwig voltooid en eeuwig volmaakt. Dat deze harmonie door menselijke boosheid van Adam en Eva of van wie dan ook geschonden zou kunnen worden, vindt Spinoza belachelijk.” (p26)

Knol vergelijkt de waarde van Spinoza's vergelijking met die van Jezus' gelijkenis van de barmhartige Samaritaan.

Het derde hoofdstuk behandelt het ontstaan van godsdienst. Hoe komen mensen tot een antropomorf godsbeeld? Spinoza wijst erop dat de mens zo goed in de natuur past dat deze denkt dat alles voor hem gemaakt is. Daaruit volgt de idee dat God dus alles voor de mens bestemd heeft. En omdat de mens de heersers over de natuur niet kan zien beoordeelt hij ze naar zijn eigen karakter. Waardoor die heerser(s) mensvormige trekken krijgt (krijgen).

„Godsdienst is volgens Spinoza een krampachtige poging om Gods toorn af te wenden en zich van Gods gunstbewijzen te verzekeren. En berust uiteindelijk op angst. [...] Spinoza leert ons af alles op ons eigen persoontje te betrekken en probeert ons dat vanuit het grote verband van het geheel, vanuit God, te zien. [...] Het benoemen van goed en kwaad, mooi en lelijk, kan alleen vanuit ons menselijk standpunt gebeuren. In God is alles noodzakelijk en volmaakt, zelfs wat in onze ogen wanstaltig of zondig of ontaard is.” (p31/32)

Het vijfde hoofdstuk begint Knol met de opmerking dat „Alleen iemand zonder verstand Spinoza voor een atheïst uit [kan] maken. Niemand heeft zich ooit verhevener over God uitgelaten dan hij.” (p39) Een actueel onderwerp dat recentelijk in NRC Handelsblad werd aangeroerd door Wiep van Bunge. Het verschil in opvattingen tussen 350 jaar geleden en nu wordt zo duidelijk: wat tegenwoordig als een verheven manier om over God te spreken wordt uitgelegd, werd ten tijde van Spinoza weggezet als atheisme.

Het hoofdstuk behandelt het thema rondom de eenheid van materie en geest. „Gods denken (geest) is volkomen gelijk aan Gods doen (materie). [...] Lichaam en geest werken niet als twee fietsers achter elkaar maar functioneren als het ware als een tandem.” (p42/p43) Zowel de materiele als de geestelijke wereld is volledig gedetermineerd. Het zijn de paralel lopende klokken. Dat deze eenheid natuurlijk ook gevolgen heeft voor een thema als vrije wil, waar Knol in hoofdstuk 8 op terug komt, is duidelijk.

Zo werkt Knol de thema's verder uit, en geeft hij in het tweede deel van het boek de meeste aandacht aan het denken, en de drie soorten kennis die Spinoza onderscheid. Afsluitend komt hij dan, in hoofdstuk 15, over De Staat te spreken.

Voor wie bekend is met de filosofie van Spinoza geeft het boek de nodige nieuwe aanwijzingen en vormt het een thematisch naslagwerk. Wie Spinoza's filosofie nog niet kent, kan zich dankzij de duidelijk en eenvoudige uitleg van Knol een goed beeld ervan vormen. Wie een voorbeeld wil lezen kan het laatste hoofdstuk, hoofdstuk 15, integraal op deze site vinden.

Of Knol slaagt in zijn opzet om Spinoza's filosofie als nieuwe oriëntering aan te bieden aan degenen die het traditionele geloof moeten ontberen, is voor mij moeilijk te beoordelen. Wat ik wel weet is dat het boek voor mij inmiddels meermalen aanleiding is geweest om na te denken en te spreken over de erin behandelde thema's. Als kersverse gouwenaar heeft het me dan ook meer begrip voor de gereformeerde buren gebracht, en een gezamenlijke basis voor discussie. Begrip is een eerste stap naar begrijpen en accepteren. Knol draagt daar met zijn boek in hoge mate aan bij.

Een aanrader dus, en een mooie gift voor onder de kerstboom.

Verwijzingen

Hoofdstuk introducties

Elk hoofdstuk wordt voorafgegaan door een korte introductie. In volgorde:

  1. Gods eindeloze natuur
    Typerend voor Spinoza is dat hij zijn filosofie vanuit God opbouwt. God of de natuur is begin, middel- en eindpunt.
  2. Alles is één
    Alles is een eenheid. Dit wordt wel het monisme van Spinoza genoemd.
  3. Hoe godsdienst ontstaat
    Spinoza’s godsbegrip is anders dan dat van de meeste mensen. Hij gelooft niet in een mensvormige of antropomorfe God.
  4. Heilige geschriften
    In de Bijbel en andere heilige geschriften wordt God meestal mensvormig voorgesteld. Aan de hand van een aantal voorbeelden uit Spinoza zijn kritiek hierop. Niet dat hij vindt dat er met beeldspraak als zodanig iets mis is. Zolang je maar beseft dat het beeldspraak is.
  5. Eenheid in verscheidenheid
    De ene substantie, God of de natuur, drukt zich in eindeloos veel dingen op eindeloos veel manieren uit terwijl intussen de eenheid van alles bewaard blijft.
  6. Alles is perfect
    Al wat bestaat, is in God en omdat God perfect is, is om die reden ook alles perfect.
  7. Het lichaam kan ook wat
    God is alles. Materie en geest zijn twee aspecten die wij van God kennen. De materie, waartoe ook het menselijk lichaam behoort, is tot heel wat in staat en doet niet onder voor de geest, waaronder de menselijke geest.
  8. Geen vrije wil
    Alles vloeit noodzakelijk uit God voort, het menselijk gedrag is volledig bepaald en er bestaat geen vrije wil.
  9. Het wezen van alles en iedereen
    Alles en iedereen heeft een drang om in z’n bestaan te volharden.Die drang is een energie die deel uitmaakt van de energie van God of de natuur waarvan alles en iedereen deel uitmaakt.
  10. Verbetering van het denken
    In plaats van de illusie van de vrije wil speelt begrijpen in de filosofie van Spinoza een belangrijke rol. Begrijpen is voorwaarde voor werkelijke menselijke vrijheid.
  11. Drie soorten kennis
    Ter inleiding op zijn volgende gelijkenissen en voorbeelden gaan we eerst nader in op de drie kennissoorten die Spinoza onderscheidt.
  12. De verbeelding
    Omdat we een deeltje zijn van het grote geheel, ondergaan we van buitenaf talloze aandoeningen of veranderingen die niet vanuit ons eigen wezen alleen verklaard kunnen worden. Daaruit komt onze onwetendheid en ons lijden voort.
  13. De ratio
    We menen op de levenszee te kunnen drijven en te genieten van alles wat er te genieten valt, maar we merken dat die zee vol klippen is waarmee we telkens onaangenaam kennismaken. We menen dat er een stuurman nodig is die bekend is met het vaarwater.Waar kunnen we die stuurmanskunst leren? Het verstand, de ratio, kan uitkomst bieden. Dat heeft kennis en daarop komt nu alles aan.
  14. De intuïtie
    In de derde kennissoort, de intuïtie, gaat het erom alle afzonderlijke dingen te zien in het licht van de eeuwigheid en als deel uitmakend van het grote geheel, God. We zien de dingen dan zoals ze in werkelijkheid zijn.
  15. De staat
    In de natuurtoestand heeft eenieder zo veel recht als macht. Dat loopt natuurlijk op een enorme chaos uit waarin niemand zijn leven veilig is. Daarom staan mensen voor hun eigen bestwil een groot deel van hun macht aan de overheid af die nu voor hun vrede en veiligheid moet zorgen. Als die daar niet voor zorgt, kunnen de mensen (ze zijn immers verre in de meerderheid) diemacht weer terugeisen. De beste regeringsvorm vindt Spinoza de democratie.

Samenspraak

Jezus: Als er geen vrije wil bestaat, zou iedere slechtheid te verontschuldigen zijn. Ik zou mensen toch graag verantwoordelijk willen houden voor hun daden.

Spinoza: Mensen handelen noodzakelijk zoals ze handelen. Je eigen apostel Paulus schreef: „Wie bent u eigenlijk dat u, een mens, iets tegen God zou inbrengen? Vraagt het aardewerk soms aan de pottenbakker: 'Waarom hebt u me gemaakt zoals ik eruit zie?' Heeft de pottenbakker niet de vrijheid om van dezelfde klomp klei zowel een kostbare vaas als een alledaagse pot te maken?” (Romeinen 9:20-21)

Jezus: Bedoel je dat er geen beroep op mensen gedaan kan worden om zich te veranderen?

Spinoza: Zinvoller dan duizend en één oproepen lijkt me om de oorzaak van een daad te begrijpen en daar de oorzaak weer van enzovoort. Vanuit dat begrijpen groeit het doen vanzelf.

Comments (2)

fred neerhoff:

Commentaar op "Spinoza-voor iedereen" door J. Knol

Afgezien van de a-spinozistische, paternalisische stijl, is het boek ook inhoudelijk nogal aanvechtbaar. Voornaamste oorzaak is het zeer selectieve gebruik van citaten uit zowel Spinoza's werk als Bijbel.Zo'n contextualisering is noodzakelijk sterk "gebiased".

Het vooroordeel van dominee Knol wordt onverbloemd gereflecteerd in de openingszinnen van hoofdstuk 5 waar hij schrijft "Alleen iemand zonder verstand kan Spinoza voor een atheïst uitmaken. Niemand heeft zich verhevener over God uitgelaten als hij".

Wordt Spinoza hier door de verstandige Knol als een bevlogen theïst bestempeld? Dat zou immers het regelrechte gevolg zijn van Knol's eigen woorden! Echter,
Spinoza's filosofische "god" is een radicaal andere dan die van de theoloog.
Uitgangspunt is hier de Ethica. Daarin definieert Spinoza een nadrukkelijk niet-bovennatuurlijke en volstrekt onpersoonlijke "god" en verwerpt hiermee even nadrukkelijk de morele "god" van de theoloog.

Dus, binnen de context van de drie monotheïstische religie's is Spinoza juist géén theïst, noch een pan-theïst, zelfs geen pan-en-theïst maar een a-theïst avant la lettre!
Is dat erg? Nee, integendeel! Immers, wie zo uitdrukkelijk stelt als de theoloog, moet natuurlijk eerst zèlf bewijzen!

Egbert Talens:

Voor wat het waard is: omdat religie [enkelvoud; het meervoud 'religies' is onbestaanbaar, ofschoon het (abusievelijk!) gehanteerd wordt als godsdiensten] en godsdienst(en) géén synoniemen zijn, verbaast het mij dat in verhandelingen en besprekingen over Baruch de Spinoza, wél over religies wordt gesproken-geschreven. Voorzover ik Spinoza begrijp, bestaat zijn gedachtegoed c.q. filosofie louter uit ethiek c.q. moraal. De ethiek die Spinoza ´beweegt´ en waarop al zijn werken en handelen terug valt te voeren, en zoals hij het (dus) in zijn geschriften heeft neergelegd, is nmbm een getrouwe afspiegeling van wat met het woord religie wordt bedoeld. Baruchs religie = ethiek c.q. moraal. Een alomvattend enkelvoudig geheel van voelen, denken, en -- willen wij hopen -- handelen, waarmee de mens inhoud aan het leven moet geven, en in sommige al te spaarzame gevallen gééft...

Ik zou dit alles iets minder ingewikkeld naar voren kunnen brengen, ware het niet dat deze materie als zodanig de mensheid voor enorme problemen heeft gesteld; helaas! En omdat de mens(heid) er nog steeds niet in slaagt het concept dat Baruch heeft ontwikkeld, op díe manier in de dagelijkse praktijk ten uitvoer te brengen, word ik gedwongen tot een uitleg waar velen niets van kunnen (of wíllen?) snappen, vastgeklonken als ze zitten aan de ideeën van valse voorlichters (profeten dan wel politici) die op eigen belang uit zijn, i.p.v. dat de laatsten de belangen van de mensheid in z'n geheel ter harte te nemen; en in deze laatste vorm (dus) ook eigen belang(en).

Zodra wij erin slagen het voor elkaar te krijgen dat religie wordt gezien als (enkel) ethiek c.q. moraal, en godsdienst(en) als (bekrompen) uiting(en) van kortzichtig eigen belang, zal de mensheid een sprong voorwaarts maken, met een toaal ander wereldbeeld als gevolg.
De krampachtige pogingen die in stelling worden gebracht om deze eenvoudige gedachte te weerstaan, beloven weinig goeds voor de (nabije) toekomst. Ik spreek uit ervaring!

Egbert Talens,
Kon. Julianalaan 19
7204 AE Zutphen
Tel. 0575-515553

Plaats een reactie


Reacties

Aanbevolen

Powered by
Movable Type 4.1