«« Wat nemen we letterlijk?
Begin

De staat

directe link naar dit bericht link naar de reacties rubriek: artikelen

Jan Knol geeft in „Spinoza uit zijn gelijkenissen en voorbeelden” Spinoza's filosofie als alternatief voor het traditionele geloof. Daarvoor ontleedt hij Spinoza's teksten en past ze toe in enkele thema's (zie voor een overzicht en recensie van zijn boek dit artikel), waaronder het thema „De Staat.” Op despinoza.nl een exclusieve publicatie van dat hoofdstuk.

Onderstaande hoofdstuk is afkomstig uit "Knol, Jan: Spinoza, uit zijn gelijkenissen en voorbeelden, voor iedereen. Uitgeverij Wereldbibliotheek, 2007, 1e druk."

15. De staat

In de natuurtoestand heeft eenieder zo veel recht als macht. Dat loopt natuurlijk op een enorme chaos uit waarin niemand zijn leven veilig is. Daarom staan mensen voor hun eigen bestwil een groot deel van hun macht aan de overheid af die nu voor hun vrede en veiligheid moet zorgen. Als die daar niet voor zorgt, kunnen de mensen (ze zijn immers verre in de meerderheid) diemacht weer terugeisen. De beste regeringsvorm vindt Spinoza de democratie.

‘Hoewel kinderen verplicht zijn alle geboden van hun ouders te gehoorzamen, zijn ze toch geen slaven. Want geboden van ouders zijn vooral gericht op het belang van hun kinderen.’ – TTP 16,10

Wil de overheid haar werk kunnen doen, dan behoren haar onderdanen haar te gehoorzamen en te respecteren. Ook al denken mensen individueel over bepaalde zaken anders, ze zouden er toch goed aan doen ook op die punten waarmee ze het niet eens zijn de overheid te gehoorzamen. Het kleinere kwaad (niet helemaal hun zin krijgen) is te verkiezen boven het grotere kwaad (door chaos het welzijn voor het hele volk onmogelijk maken). Uiteraard, als het met de overheid helemaal de spuigaten uitloopt, zal het volk middels revolutie zijn oorspronkelijke macht die het in de natuur had, terugeisen en een nieuwe staat instellen.

Gehoorzamen moet echter niet slaafs gebeuren. Een slaaf gehoorzaamt niet in zijn eigen belang maar in het belang van zijn baas. Een kind gehoorzaamt wel in zijn eigen belang. Want de geboden van de ouders zijn er in het belang van hun kinderen. Op zo’n manier behoren ook onderdanen de overheid te gehoorzamen. Van de vele joden in Babylonische ballingschap waren er slechts drie jongemannen die weigerden voor het beeld van koning Nebukadnezar te buigen, zodat ze in de vurige oven werden geworpen. Alle anderen gehoorzaamden. Wellicht omdat ze dachten dat God die ballingschap over hen besloten had (Daniël 3). Dat de overheid te veel van zijn burgers kan vragen, moge uit het volgende blijken:

‘Het is vroom om iemand die met mij strijdt en mijn hemd wil nemen, ook mijn mantel te geven (Matteüs 5:40). Zodra geoordeeld wordt dat zoiets slecht is voor het behoud van de staat, is het juist vroom hem voor de rechter te slepen, zelfs al zou hij de doodstraf krijgen.Manlius Torquatus wordt geroemd omdat het heil van het Romeinse volk bij hem meer gold dan de liefde voor zijn zoon.’ – TTP 19,10

Vaderlandsliefde is de hoogste vorm van plichtsbetrachting die iemand kan opbrengen. Want als de staat wegvalt, kan niets goeds blijven bestaan. Denk aan een land dat in burgeroorlog is en waar het gezag wegvalt. Daar is het leven niet langer goed, maar verwordt het tot een chaos.

Daarvan zijn genoeg voorbeelden en daarom komt het erop aan de staat in stand te houden, ook al zijn we het op en aantal punten niet met die staat eens. Dan toch maar liever gehoorzamen, tenzij de staat het al te bont maakt. Het is in ons voordeel zuinig te zijn op de staat omdat die voor onze veiligheid en vrede zorgt. Zelfs al zouden we voor één particulier iets goeds doen wat voor de staat nadelig zou zijn, dan zou zoiets ‘slecht’ zijn. Het is onverstandig een ander zo te helpen dat het de hele staat schade doet.

Spinoza geeft een voorbeeld uit Jezus’ Bergrede. ‘Als iemand met ons strijdt en ons hemd wil afnemen, laten we hem dan ook onze mantel afstaan.’ Een prachtige regel toch. Maar als deze prachtige regel de wetten van de staat niet ten goede komt, kunnen we hem beter niet toepassen.

Spinoza geeft nog een voorbeeld, dit keer uit de Romeinse oudheid. Manlius Torquatus veroordeelde in 340 v.Chr. zijn eigen zoon ter dood, nadat deze nog wel zo’n prachtige heldendaad verrichtte. Hij deed het echter buiten zijn commandant om.

‘Als iemand niet op zijn post blijft en buiten zijn commandant om een nog zo goede actie doet, waardoor de vijand zelfs overwonnenwordt, danwordt hij toch terecht ter dood veroordeeld. Geen leger kan bestaan als aan superieuren niet gehoorzaamd wordt. En zonder leger kan een staat niet bestaan’ (TTP 16,18).

‘Als ik beweer er recht op te hebben met deze tafel te doen wat ik wil, dan bedoel ik zeker niet dat ik recht heb om te bewerken dat deze tafel gras eet.’ – TP 4,4

We zagen al dat mensen niet in leven kunnen blijven in een natuurtoestand waarin ieder individu volop zijn eigen macht uitleeft. Een veilig leven en liefst een beetje leuk en ook zo dat elk z’n eigen talenten kan ontplooien, is wat mensen willen. Vandaar dat mensen hun macht afstaan aan de overheid, want die moet voor al die dingen zorgdragen. Vervolgens heeft de overheid het voor het zeggen. Mensen doen er goed aan om haar te gehoorzamen, ook al zijn ze het er niet altijd mee eens. De overheid heeft de hoogste macht en zorgt dat het recht zijn beloop krijgt. Toch kan geen mens zijn macht en recht op zo’n manier op de staat overdragen dat hij ophoudt mens te zijn. Sowieso kunnen mensen niet verhinderd worden te denken wat ze willen en te zeggen wat ze denken.

Ook al is het in het belang van het volk de overheid te gehoorzamen, de overheid kan in het vragen van gehoorzaamheid te ver gaan. Zoals iemand het recht heeft met zijn tafel te doen wat hij wil, zo mag de overheid van haar onderdanen gebruikmaken naar eigen goeddunken. Maar als de overheid iets van haar onderdanen vraagt wat tegen hun natuur ingaat, dan roept dat op den duur verzet op. Iemand kan veel van z’n tafel vragen maar niets dat tegen de natuur ervan indruist, zoals bijvoorbeeld van die tafel vragen dat die gras gaat eten. Zo kan de overheid niets van haar onderdanen vragen dat tegen hun natuur ingaat. Bijvoorbeeld van hen vragen dat ze met hun armen gaan vliegen. Of dat ze hun weldoeners gaan haten en hun tegenstanders gaan liefhebben. Of dat ze zich niet beledigd voelen door smaad.

De regering kan de mensen ook niet dwingen respect voor haar op te brengen als zijzelf bespottelijk of walgelijk optreedt. Bijvoorbeeld wanneer een keizer of president die naakt over straat loopt of toneelspeler is (Nero) of zijn eigen wetten aan de laars lapt, toch intussen zijn gezag wil bewaren. Dat gaat natuurlijk niet. Een overheid moet de gehoorzaamheid die zij vraagt ook waard zijn. Gaat de overheid te ver en blijft zij te ver gaan, dan beantwoordt ze niet langer aan het doel waarvoor ze is aangesteld (veiligheid en vrede), dan komt onherroepelijk het moment dat de mensen hun macht terugnemen en een andere staat zullen instellen. Zonder overheid is nu eenmaal nog erger dan met overheid!

‘Alexander de Grote liet zich als zoon van Jupiter begroeten. Zoals hijzelf vertelt: “Als Jupiter in zijn orakel mij de naam ‘zoon’ aanbiedt, zou het toch een lachertje zijn als ik die naam niet aannam. Bovendien kan ik die goed gebruiken voor alles wat ik onderneem. Ik zou willen dat ook Indiërs geloven dat ik een god ben.” Bij oorlogen geeft de reputatie die men geniet de doorslag. Vaak heeft wat ten onrechte geloofd is, kracht van waarheid gekregen.’ – TTP 17,6

Niemand is er blij mee geregeerd te worden door iemand die hij als zijns gelijke beschouwt. Met als uitzondering op de regel, de regering van allen door allen in een democratie. Als leiders de massa kunnen doen geloven dat zij superieure wezens zijn of dat zij een speciaal contact met bovennatuurlijke of goddelijke machten hebben, dan zal hun dat geen windeieren leggen. Er wordt des te meer tegen hen opgezien. Zo overtuigde Augustus (63 v.Chr. – 14 n.Chr.) de Romeinen ervan dat hij van de godin Venus afstamde. In dit verband vertelt Spinoza (zonder dit feit af te keuren) hoe Alexander de Grote (356–323 v.Chr.) gebruik maakte van zijn verzinsel dat zijn regering van godswege gesanctioneerd was.

‘Wetten moeten zo vaststaan dat zelfs geen koning deze kan afschaffen. Denk aan Odysseus toen hij betoverd werd door de Sirenenzang. Zijn makkers volgden zijn bevel niet op om hem los te maken van de scheepsmast. Hoe vaak hij hun dit ook beval. ’t Getuigt van wijsheid dat hij hen later ervoor dankte dat ze zijn eerste en niet zijn tweede bevel gehoorzaamden.’ – TP 7,1

Odysseus’ schip nadert de Sirenen die met hun verleidelijke zang scheepsbemanningen totaal van de wijs en aldus hun schepen op de rotsen brengen. Toch wil Odysseus hun zang horen. Hij beveelt zijn makkers proppen in hun oren te stoppen en hemzelf, zonder proppen in de oren, aan de mast vast te binden. En, wat er ook gebeurt, ze mogen hem niet losmaken. Als vervolgens Odysseus de Sirenen hoort zingen, wordt hij er zo door gegrepen dat hij met alle geweld losgemaakt wil worden van de mast. Maar hoe hij zijn makkers ook beveelt en tiert en scheldt, ze maken hem niet eerder los dan wanneer ze uit het gebied van de Sirenen zijn. Dan is Odysseus hen dankbaar dat ze wel zijn eerste bevel (hem aan de mast vastgebonden houden) en niet zijn tweede bevel (hem losmaken) opgevolgd hebben.

Spinoza wil hiermee zeggen dat wetten niet afhankelijk mogen worden van één mens zoals van een koning of president. Dat zijn ook maar mensen. En mensen kunnen ziek, vermoeid, depressief of instabiel zijn. En ze hebben vooral ook een zwak voor allerlei Sirenenzangen. Wetten die van levensbelang zijn voor de staat, mogen absoluut niet van individuele mensen afhankelijk zijn. Zelfs niet van keizers, koningen en presidenten en dergelijke. Ook die staan niet boven deze wetten en kunnen die zomaar niet aan de kant schuiven. En zouden zij aan ministers vragen zulke fundamentele wetten nietig te verklaren, dan doen die ministers er goed aan om hen niet te gehoorzamen.

‘Bijvoorbeeld Amsterdam, dat de vruchten van de vrijheid plukt. In deze over de hele wereld populaire, bloeiende, voortreffelijke stad, leven mensen van alle volken en gezindten eendrachtig samen. Om aan iemand iets te lenen hoeven ze niets anders te weten dan of hij rijk of arm is en te goeder of kwader trouw. Op iemands godsdienst of gezindte letmen dan niet, omdat dit in voorkomende gevallen bij de rechter ook niet speelt.’ – TTP 20,15

René Descartes, die voor Spinoza’s denken van grote invloed is geweest, zei van Amsterdam dat iedereen daar zo met de handel en z’n eigen voordeel bezig was dat men er een heel leven kon doorbrengen zonder ooit opgemerkt te worden. Spinoza, die er de eerste helft van zijn leven woonde, haalt Amsterdam als voorbeeld aan van een redelijk staats- of stadsbestuur. Dat maakt een ruime mate van vrijheid van geloven en denken mogelijk. Het zijn prachtige woorden over Amsterdam die nog altijd op die stad slaan.

Theologie en filosofie behoren elkaar niet te knechten of te bevechten, met alle vervelende gevolgen van dien. Ze bestrijken twee verschillende gebieden. In de theologie (en de kerk) gaat het vooral om gehoorzaamheid en om liefde voor God en de naaste. In de filosofie gaat het om de waarheidsvraag.

Plaats een reactie


Reacties

Aanbevolen

Powered by
Movable Type 4.1