«« Gereformeerden in verzet tegen de Verlichting
Begin
Spinoza als bouwmeester »»

De nobelste van alle filosofen

directe link naar dit bericht link naar de reacties rubriek: artikelen

Zoals er notoire schurken zijn in de geschiedenis van de filosofie, bijvoorbeeld Bacon, Leibniz en, op zijn manier, Schopenhauer, zo zijn er ook filosofen over wie je van de twintigste-eeuwse geschiedschrijvers van de filosofie nooit een kwaad woord hoort. Hans Driessen behandelt de nobelste der filosofen, Spinoza. Uit Trouw.

Spinoza is zo'n filosoof. (De eerste eeuw na zijn dood was dat wel anders: toen werd hij, om met Lessing te spreken, als een 'dode hond' behandeld.) Ik citeer uit Bertrand Russell 'De geschiedenis van de westerse filosofie': ,,Spinoza is van alle grote filosofen de nobelste en beminnelijkste. In intellectueel opzicht hebben sommige hem overtroffen, maar in ethisch opzicht is hij superieur. Als een logische gevolg daarvan werd hij, tijdens zijn leven en nog honderd jaar na zijn dood, gebrandmerkt als een uiterst verdorven mens.'' En Hermann Glockner: ,,Hij die geen vlieg kwaad kon doen werd niettemin achtervolgd door de meest verzengende haat, tot ver over het graf. Als hij al bewonderd wordt dan gebeurt dat meestal om verkeerde redenen.''

Dit zijn slechts twee stemmen uit het grote koor van bewonderaars. Wat bij hen opvalt, is dat ze een al dan niet natuurlijk verband leggen tussen morele goedheid en het doelwit zijn van haat: Spinoza wordt hier neergezet als een heilige in een verdorven wereld.

Dat de wereld een en al verdorvenheid is, is een constatering die maar weinigen zullen aanvechten, maar geldt dat ook voor de morele verhevenheid van Spinoza? Waarom vindt men het nodig hem postuum de gouden medaille voor goed gedrag toe te kennen? Zou het ermee te maken kunnen hebben dat men in de periode na de Tweede Wereldoorlog de behoefte voelde de joodse cultuurdragers ter compensatie de morele hemel in te prijzen? Of hoort het gewoon bij een romantische visie op de geschiedenis, waar men graag spreekt van 'helden (of sterker nog: titanen) van de geest'?

Eén ding staat vast: er is bijzonder weinig bekend over het leven van Spinoza, en waar harde gegevens over iemand ontbreken kan men hem maar het beste het voordeel van de twijfel gunnen. Bovendien: iemand die zoals Spinoza een leven in afzondering leidt, die geen vrouw en kinderen, geen werkkring heeft, komt veel minder in de verleiding om kwaad te doen dan iemand die in het volle leven staat. Een heremiet trekt zich niet voor niets in onherbergzame oorden terug, ver weg van mensen en instituties.

Kortom: er is geen enkele reden om te twijfelen aan de lof die Spinoza van alle kanten wordt toegezwaaid. (Als er iets slechts over Spinoza te vertellen is, zal Bert Keizer dat ongetwijfeld in zijn volgende column onthullen - maar dit terzijde.)

Wat er wel bekend is en met documenten te staven valt, is gauw verteld. Geboren is Baruch Spinoza in 1632 te Amsterdam als zoon van asielzoekers uit Portugal, in een bijna idyllisch te noemen tijd waarin de Nederlanden nog een veilige haven waren voor mensen die vanwege hun denkbeelden of hun godsdienst in hun vaderland werden vervolgd. Zijn ouders waren marranen (letterlijk: varkens), joden die zich onder dwang van de Inquisitie tot het christendom hadden bekeerd. Aangekomen in Amsterdam gingen ze weer volgens de mozaïsche wet leven en werden algauw gerespecteerde leden van de Portugees-joodse gemeenschap.

Spinoza doorliep slechts de lagere klassen van de Talmoed-Toraschool, maar genoot daarnaast privé-onderwijs, vooral in het Latijn, destijds de taal van de wetenschap. Het is ook de taal waarin Spinoza zijn belangrijkste werken zou schrijven. Vanaf 1649 is hij werkzaam in het bedrijf van zijn vader, een handel in zuidvruchten.

De ingrijpendste gebeurtenis in zijn leven vond plaats op 27 juli 1656: op die dag wordt hij omwille van zijn geloofsopvattingen in de ban gedaan door het college van parnassim, dat even fanatiek waakte over de orthodoxie van het joodse geloof als de Inquisitie over rechtzinnigheid van het christelijke geloof (dit moet een uiterst schokkende ervaring zijn geweest voor menige jood die de Inquisitie was ontvlucht). Sommige bronnen melden dat hem eerst nog een jaarlijkse toelage van duizend florijn was geboden om zijn onorthodoxe opvattingen publiekelijk te herroepen en dat er na zijn weigering een aanslag op hem werd gepleegd.

De ban maakt het hem onmogelijk zijn handelsactiviteiten voort te zetten. De rest van zijn leven leeft hij teruggetrokken (in innere Emigration, zoals de Duitsers het zo treffend noemen) en verdient hij zijn levensonderhoud met het slijpen van lenzen.

In 1670 geeft Spinoza zijn op een na belangrijkste werk uit: het 'Tractatus theologico-politicus' - anoniem wel te verstaan, hetgeen erop wijst dat geestelijk klimaat in de Nederlanden nu ook weer niet zó tolerant was.

In 1673 wordt hem vanuit Heidelberg een professoraat aangeboden. Spinoza weigert beleefd maar resoluut: de absolute geestelijke vrijheid is hem meer waard dan de betrekkelijke zekerheid van een maatschappelijke positie. Vier jaar later, in 1677, sterft hij aan de gevolgen van tuberculose. Korte tijd later verschijnt, als onderdeel van zijn Opera posthuma zijn hoofdwerk, 'Ethica. Ordine geometrica demonstrata'.

Van dat laatste werk is onlangs een nieuwe vertaling verschenen. Daarover een volgende keer.

Copyright: Driessen, H.

Comments (1)

Will Holder:

Geachte Hr Driessen,
U spreekt over "Sommige bronnen melden dat hem eerst nog een jaarlijkse toelage van duizend florijn was geboden". Kunt u mij vertellen welke bronnen dit zijn. Ik ben een onderzoek aan het schrijven over gedwongen terugtrekking om ideologische redenen, en ben zéer niewsgierig naar voorbeelden waarin geld is afgewezen.
M vr gr WH

Plaats een reactie


Reacties

Aanbevolen

Powered by
Movable Type 4.1