«« Van God - artikel V-VI
Begin
Van God - artikel_IX-X »»

Van God - artikel VII-VIII

directe link naar dit bericht link naar de reacties rubriek: korte verhandeling
Alhier zullen wij dan nu aanvangen te spreken van die [*] eigenschappen
VII.
Alhier zullen wij dan nu aanvangen te spreken van die [*] eigenschappen welke gemeenlijk aan God toegepast worden en echter nogtans aan hem niet en behooren: [f.47] als mede van die door welke men poogt God te bewijzen, dog vruchteloos: En meede van de wetten der warer beschrijvinge.

Om dit te doen, zullen wij ons niet zeer bekommeren met die verbeeldingen, die de menschen gemeenlijk van God hebben: maar wij zullen alleen kortelijk onderzoeken wat de Philosophi ons daarvan weten te zeggen. Deze dan hebben God beschreven te zijn een wezen uijt of van zich zelfs bestaande, oorzaak van alle dingen, Alweetende, Almachtig, eeuwig, eenvoudig, oneindig, 't opperste goet, van oneindige barmhertigheid enz. Dog aleer wij tot dit onderzoek toetreden, laat eens vooraf gezien worden, wat zij ons al toe staan.

Eerstelijk zeggen zij, datter geen ware of wettelijke beschrijvinge van God en kan gegeven worden, aangezien geen beschrijvinge na haar waan, als van geslacht en onderscheit bestaan kan en God dan geen gedaante van eenig geslagt zijnde, zo en kan hij niet regt of wettelijk werden beschreeven.

Ten anderen zeggen zij, dat God niet en kan beschreven worden, om dat de beschrijvinge de zaak naakt en ook bevestigende moet uijtbeelden en na haar stellinge en kan men van God niet bevestigende [f.48] maar alleen ontkennender wijse weten. Ergo. Zo en kan er van God geen wettelijke beschrijvinge gegeven worden.

Daarenboven wort nog van haar gezeijd, dat God nooijt a Priori en kan bewezen worden, omdat hij geen oorzaak heeft, maar alleen waarscheijnlijk of door sijne uijtwerkinge.
Dewijl zij ons dan met deze haare stellinge genoegzaam toestaan, dat zij een zeer kleene en geringe kennisse van God hebben, zo mogen wij dan nu eens hare beschrijvinge gaan onderzoeken.

Eerstelijk wij en zien niet, dat zij ons hier eenige attributa of eigenschappen geven, door de welke de zaak (God) gekend word wat ze is: maar alleen eenige propria of eigenen, welke wel aan een zaak behoren, edog nooit en verklaren wat de zaak is. Want alhoewel van zig <zef> zelfs bestaande, oorzaak te zijn van alle dingen, opperste goedt, Eeuwig en onveranderlijk enz. aan God alleen eigen zijn, zo en konnen wij nogtans door die eijgenheeden niet weten, wat dat wezen is ende wat eigenschappen het heeft, aan welke deze eigenheeden behooren.

[f.49] Het zal dan nu ook tijd zijn, dat wij eens bezien die dingen de welke zij God toeschrijven en nochtans aan [*] hem niet en behooren. Als daar is Alwetende, Barmhertig, wijs, en zoo voort, welke dingen om dat ze maar zijn zeekere wijze van de denkende zaak en geenzins en bestaan noch verstaan konnen werden zonder die Zelfstandigheeden van dewelke zij wezens zijn en hierom dan ook aan hem die Een Wezen is zonder iets als uijt hem zelfs bestaande, niet en konnen toegepast worden.

Eijndelijk noemen zij Hem het opperste goed, doch indien zij daar bij iets anders als zij alreeds gezeid hebben, verstaan; te weten dat God onveranderlijk is en een oorzaak van alle dingen, zo zijn zij in haar eigen begrip verward geweest of hebben hun zelfs niet konnen verstaan, het welk hervoort gekomen is uijt haare dolinge van goet en kwaad, meijnende de mensch zelfs en niet God oorzaak is van zijn zonden en kwaad, het welke volgens 't geene wij nu alreede bewezen hebben, niet en kan zijn, of wij zijn genoodzaakt te stellen, dat de mensch dan ook [f.50] oorzaak is van zijn zelfs. Doch dit zal zo wanneer wij van de wille <...komen> des menschen hier na handelen, nog klaarder blijken.

Nodig zal het dan nu zijn, dat wij haar schijnredenen waarmede zij haar onwetenheid van gods kennis tragten te verschoonen, ontknoopen.

1. Zij zeggen dan vooreerst, dat een wettige beschrijvinge bestaan moet van een geslagt en onderscheid. Even wel alschoon alle de Logici dit toestaan, ik en weet niet van waar zij dit hebben. En zeker zo dit waar moet zijn, zo en kan men niets niet weten: Want indien wij volmaaktelijk een zaak door de beschrijvinge van geslagt en onderscheid bestaande, moeten al vooren kennen, zo en konnen wij dan nooijt volmaakt kennen het opperste geslagt, het welk geen geslagt boven hem heeft.

Nu dan: Indien dan het opperste geslagt het welk een oorzaak is van de kennisse aller andere dingen, niet gekent word, veel minder dan konnen de andere dingen die door dat geslagt verklaart worden, verstaan [noch] gekend worden.

[f.51] Edoch aangezien wij vrij zijn en geenzins en achte verbonden aan haare stellingen te zijn, zo zullen wij volgens de ware Logicam andere wetten van beschrijvinge voort brengen, te weeten volgens de schiftinge die wij van de Natuur maaken.

Wij hebben nu al gezien, dat de eigenschappen (of zo andere die noemen, zelfstandigheden) zaaken of om beter en eigentlijker te zeggen, een door zich zelfs bestaande wezen is en der halven <zich zelven> door zich zelve, zig zelfs te kennen geeft en vertoond.

De andere dingen zien wij dat maar wijzen van de eigenschappen zijn en zonder dewelke zij ook niet en konnen bestaan noch verstaan worden. Dienvolgende dan moeten de beschrijvinge zijn van twee geslagten (of soorten).

1. namelijk van de eigenschappen, die van een zelfs bestaande wezen zijn en deze behoeven geen geslagt of iets waardoor zij meer verstaan off verklaart worden: want aangezien zij als eijgenschappen van een wezen door zig zelfs zijnde zijn, [f.52] zo worden zij ook door hun zelfs bekent.

De twede zijn die die niet door hun zelfs bestaan maar alleen door de eigenschappen, van dewelke zij de wijsen zijn en door de welke zij als haar geslagt zijnde, verstaan moeten worden. En dit is wat aangaat op haar stelling van de beschrijvinge.

Wat het ander aangaat van dat God [niet] van ons gekend zoude konnen worden met een evenmatige kennisse, hierop is door D. des Cartes genoegzaam antwoord gegeven in de beantwoordinge op de tegenwerpingen deze saake aangaande pag. 18.

En op het derde van dat God niet en zoude konnen apriori bewezen worden, daarop is mede van ons hier vooren al geantwoord aangezien dat God oorzaak is van zig zelfs, zo is 't genoeg dat wij hem door zig zelfs bewijzen. En is zulk bewijs ook veel bondiger als dat <apriori> aposteriori, 't welk gemeenlijk niet als door uijtwendige oorzaaken geschied.
VIII.  
[f.53] Alhier zullen wij nu eens eer wij voortgaan tot iets anders, kortelijk gheel de Natuur schiften. Te weten in Natura Naturans en Natura naturata. Door de Natura naturans verstaan wij een wezen dat wij (door zig zelfs en zonder iets anders als zig zelfs van doen hebbende, gelijk alle de eigenschappen (Attributa) die wij tot nogh toe beschreven hebben) klaar ende onderscheidelijk begrijpen, het welk God is. Gelijk ook de Thomisten bij het zelve God verstaan hebben, doch haare Natura naturans was een wezen (zij zo noemende) buijten alle zelfstandigheden.

De Natura naturata zullen wij in twee verdeelen, in een algemeene en in een bezondere. De algemeene bestaat in alle die wijzen die van God onmiddelijk afhangen. Waarvan wij in het navolgende Cap. zullen handelen. De bezondere bestaat in alle die bezondere dingen de welke van de algemeene wijze veroorzaakt werden, soodat de Natura naturata [f.54] om wel begrepen te worden, eenige zelfstandigheden van noden heeft.

Reacties

Aanbevolen

Powered by
Movable Type 4.1