344

Bewijs. Wij noemen dat kwaad, wat de oorzaak is van droefheid (volgens stell. 8 van dit deel), dat is (volgens de bep. daarvan, die te zien is in aanm. stell. 11 deel 3) dat ons vermogen vermindert of beperkt. Indien dus een ding door datgene, wat het met ons gemeen heeft, kwaad voor ons was; dan kon het derhalve datgene, wat het met ons gemeen heeft, verminderen of beperken; hetgeen (volgens stell. 4 deel 3) ongerijmd is. Dus kan geen ding door datgene wat het met ons gemeen heeft, kwaad voor ons wezen; maar daarentegen voorzoover het kwaad is, dat is (gelijk wij daareven hebben aangetoond) voorzoover het ons vermogen om te handelen kan verminderen of beperken, in zooverre (volgens stell. 5 deel 3) is het met ons tegenstrijdig; w.t.b.w.

Stelling XXXI. Voorzoover eenig ding met onze natuur overeenkomt in zooverre is het noodzakelijk goed.

Bewijs. Want voorzoover iets met onze natuur overeenkomt, kan het (volgens de vorige stell.) niet kwaad zijn. Derhalve >>


aantal woorden: 164