321

rest gelijk staat, sterker dan ten opzigte van een niet noodzakelijk ding; w.t.b.w.

Stelling XII. De hartstogt jegens een ding, hetwelk wij weten, dat tegenwoordig niet bestaat en hetwelk wij ons als mogelijk verbeelden, is, als de rest gelijk staat, sterker dan jegens een toevallig ding.

Bewijs. Voorzoover wij ons een ding als toevallig verbeelden, worden wij door de beeldtenis van geen ander ding aangedaan, dat het bestaan er van stelt (volgens bep. 3 van dit deel), maar daarentegen (volgens de onderstelling) verbeelden wij ons eenige dingen, die het tegenwoordige bestaan er van uitsluiten. Maar voorzoover wij ons verbeelden, dat een ding in de toekomst mogelijk is, verbeelden wij ons eenige dingen, die zijn bestaan stellen (volgens bep. 4 van dit deel), dat is (volgens stell. 18 deel 3) welke hoop of vrees kweeken; en dus is de hartstogt ten aanzien van een mogelijk ding sterker; w.t.b.w.

Bijstelling. De hartstogt ten aanzien van een ding, hetwelk wij weten, dat op >>


aantal woorden: 161