316

eene aandoening des ligchaams, die sterker is en strijdig met den hartstogt, waardoor wij lijden.

Stelling VIII. De kennis van goed en kwaad is niets anders, dan de aandoening van blijdschap of droefheid, voorzoover wij daarvan bewust zijn.

Bewijs. Wij noemen dat goed of kwaad, wat voor het bewaren van ons bestaan voor of nadeelig is (volgens bep. 1 en 2 van dit deel), dat is (volgens stell. 7 deel 3), wat ons vermogen om te handelen vermeerdert of vermindert, bevordert of beperkt. Voorzoover wij dus (volgens de bep. van blijdschap en droefheid, die te zien zijn in aanm. stell. 11 deel 3) waarnemen, dat iets ons met blijdschap of droefheid aandoet, noemen wij het goed of kwaad; en dus is de kennis van goed en kwaad niets anders dan het denkbeeld van blijdschap of droefheid, dat uit de aandoening van blijdschap of droefheid zelve noodzakelijk ontstaat (volgens stell. 22 deel 2). En dit is evenzoo met de aandoening verbonden als de geest verbonden is met het ligchaam (volgens stell. 21 deel 2), dat is (zooals in de aanm. op dezelfde stell. is aangetoond), dit denkbeeld wordt van >>


aantal woorden: 189