288

heeft, zijn eigen haat naar zich toe trekt, en zijn ligchaam beweegt, als of zijne hand gebrand werd; van hem zeggen wij wel dat hij den hartstogt van eenen anderen nabootst, maar niet, dat hij naijverig is; niet omdat wij eene andere oorzaak weten van den naijver dan van de nabootsing, maar omdat het gebruik gewild heeft, dat wij alleen hem naijverig noemen, die datgene, wat wij voor betamelijk, nuttig of aangenaam houden, nabootst. Zie overigens over de oorzaak van den naijver stell. 27 van dit deel met de aanmerking. Waarom echter met deze hartstogt meestal afgunst verbonden is, zie daarover stelling 32 van dit deel met hare aanmerking.

XXXIV. Dank of dankbaarheid is de begeerte of geneigdheid der liefde, waardoor wij hem trachten wel te doen, die ons met gelijke geneigdheid van liefde eene weldaad gedaan heeft. Zie stell. 39 met aanm. stell. 41 van dit deel.

XXXV. Welwillendheid is de begeerte om hem wel te doen, met wien wij medelijden hebben. Zie aanm. stell. 27 van dit deel.


aantal woorden: 170