287

dikwijls gezegd hebben, juist daardoor gestemd, om het met denzelfden hartstogt te beschouwen als indien het tegenwoordig was; maar deze stemming of poging, wordt, terwijl wij waken meestal belemmerd door beeldtenissen van dingen die het bestaan van datgene, waaraan wij ons herinneren buiten sluiten. Dus is verlangen in de daad droefheid, welke het tegenovergestelde is van die blijdschap, die uit de afwezendheid van hetgeen wij haten voortkomt, waarover aanm. stell. 47 van dit deel worde nagezien. Daar echter het woord: verlangen op de begeerte schijnt te zien, zoo breng ik dezen hartstogt tot de hartstogten der begeerte.

XXXIII. Naijver is de begeerte naar eenig ding, die in ons daardoor zoo te weeg gebragt, dewijl wij ons verbeelden, dat anderen dezelfde begeerte hebben.

Opheldering. Die vlugt, omdat hij anderen ziet vlugten, of die vreest, omdat hij anderen ziet vreezen, of ook hij, die daarom, dewijl hij ziet, dat iemand zijne hand gebrand >>


aantal woorden: 153