250

dat zijne begeerte wordt bedwongen door de vrees voor een kwaad, hetwelk mij niet kan weerhouden, dan zal ik hem kleingeestig noemen, en zóó zal ieder oordeelen. Uit deze natuur van den mensch en de onstandvastigheid van zijn oordeel, en daaruit dat de mensch dikwijls alleen volgens zijnen hartstogt over de dingen oordeelt, en dat de dingen, welke hij gelooft, dat tot blijdschap of droefheid medewerken, en die hij daarom (volgens stell. 28 van dit deel) zoekt te bevorderen of te verhinderen, dikwijls slechts denkbeeldig zijn, om nu van hetgeen in deel 2. over de onzekerheid der dingen is aangetoond niet te spreken, begrijpen wij ligtelijk, dat de mensch dikwijls in het geval kan wezen, zoowel dat hij zich bedroeft als dat hij zich verblijdt, of dat hij zoowel door droefheid als door blijdschap wordt aangedaan, verbonden met het denkbeeld van zichzelven als oorzaak. En aldus begrijpen wij gemakkelijk wat berouw en wat tevredenheid met zichzelven is: namelijk berouw is droefheid verbonden met het denkbeeld van zichzelven; en tevredenheid met zichzelven is blijdschap verbonden >>


aantal woorden: 175