233

(volgens stell. 28 van dit deel) hij, die iemand haat, hem trachten te verwijderen en te vernietigen. Doch indien hij daaruit iets droevigers of (wat hetzelfde is) een grooter kwaad voor zich vreest, en meent dit te kunnen vermijden door aan hem, dien hij haat, het kwaad dat hij voornemens was, niet aan te doen, dan zal hij zich (volgens dezelfde stelling 28 van dit deel) van het aandoen van kwaad trachten te onthouden; en dat wel (volgens stell. 37 van dit deel) met grooter poging dan waarmede hij hem kwaad trachtte aan te doen en deze zal dus de overhand hebben, zooals wij bedoelden. Het bewijs van het tweede stuk gaat op dezelfde wijs voort. Derhalve die iemand haat enz. w.t.b.w.

Aanmerking. Met goed bedoel ik hier alle soort van blijdschap en al wat verder hieraan bevorderlijk is, en vooral dat, wat eene begeerte, welke ook, bevredigt; met kwade alle soort van droefheid en vooral datgene wat eene begeerte teleurstelt. Boven toch (in aanm. stell. 9 van dit deel) hebben wij aangetoond, dat wij niets begeeren, omdat wij oordelen dat het goed is, maar daarentegen dat goed noemen, wat wij begeeren; en bij gevolg dat kwaad noemen, waarvan wij afkeerig zijn. Daarom oordeelt of schat ieder naar zijnen hartstogt, wat >>


aantal woorden: 212