182

der vermogen dan hunne neigingen te beheerschen. Hierom gelooven de meesten, dat wij alleen datgene vrij verrigten, wat wij zachtkens zoeken te verkrijgen, omdat de neiging tot die dingen gemakkelijk kan bedwongen worden door de gedachte aan een ander ding, waaraan wij ons dikwijls herinneren; maar geenszins datgene, wat wij zoeken met eenen grooten hartstogt, welke door de herinnering aan iets anders niet kan tot bedaren gebragt worden. Indien zij echter niet ondervonden hadden, dat wij verscheidene dingen verrigten, waarover wij naderhand berouw hebben, en dat wij dikwijls, namelijk wanneer wij door tegenstrijdige hartstogten aangetast worden, het betere zien en het slechtere volgen (1), dan zou niets hen beletten te gelooven, dat wij alles vrij verrigten. Zoo gelooft een kind dat het vrij naar melk verlangt, een booze knaap, dat hij zich wreken een bange, dat hij vlugten wil. Een beschonkene gelooft, dat hij door een vrij besluit van den geest datgene >>

(1) Ovid. Metam. VII. 20.


aantal woorden: 159