117

ligchaam van dien mensch dikwijls door die beiden is aangedaan, dat is, dat hij dikwijls het woord pomus gehoord heeft, terwijl hij de vrucht zelve zag; en alzoo zal ieder van de ééne gedachte op de andere vallen, naardat ieders gewoonte de beelden der dingen in het ligchaam heeft gerangschikt. Want een krijgsman zal b.v. door in het zand de sporen van een paard te zien dadelijk van de gedachte van een paard op de gedachte van eenen ruiter, en vandaar op de gedachte van oorlog enz. vallen. Maar een landman zal van de gedachte van een paard op de gedachte van eenen ploeg, van eenen akker, enz. vallen; en zoo zal ieder, naardat hij gewoon is geweest de beelden der dingen op deze of eene andere wijs te verbinden en aaneen te schakelen, uit de eene gedachte op deze of eene andere vallen.

Stelling XIX. De menschelijke geest kent het menschelijk ligchaam zelf niet, en weet niet, dat het bestaat, behalve door de denkbeelden der aandoeningen, waarmede het ligchaam wordt aangedaan.

Bewijs. Want de menschelijke geest is het denkbeeld zelf of de kennis van het menschelijke ligchaam (volgens stell. 13 van dit deel), welke (volgens stell. 9 van dit deel) in God is voorzoover hij als door het denkbeeld van een ander enkelwezen aangedaan beschouwd wordt; of omdat (volgens >>


aantal woorden: 221